Recht & Onrecht

Slachtoffers in strafzaak laten meeprocederen is onverstandig

Als een slachtoffer tijdens een zitting een strafadvies geeft, maakt hij of zij zichzelf ook kwetsbaar voor teleurstelling. Matthieu Verhoeven zet kanttekeningen bij het spreekrecht in de Togacolumn.

Slachtoffer-advocaat Richard Korver arriveert met cliënten bij de rechtbank. Foto ANP Robin van Lonkhuijsen

In 2005 is het spreekrecht voor slachtoffers in het strafproces ingevoerd. Slachtoffers of nabestaanden mochten in de zaak tegen de verdachte spreken over het hen overkomen leed en de gevolgen die het strafbare feit had gehad. Door deze invoering werd beoogd te bereiken dat het slachtoffer zich in het, toch vooral op de verdachte gerichte, strafproces beter gehoord weet en dat dat bijdraagt aan herstel van schade.

In 2016 is dat spreekrecht uitgebreid. Behalve over de gevolgen voor henzelf mogen zij zich nu ook uitlaten het strafbare feit, de bewezenverklaring ervan, de schuld van de verdachte en de strafmaat. Dit spreekrecht geldt niet in iedere strafzaak, alleen bij zaken waarop een maximumstraf van acht jaar of meer staat.

Moed

Ik wil vooropstellen dat het spreken door een slachtoffer of nabestaande tijdens een strafzitting van moed getuigt. Het lijkt enigszins op het spreken bij een begrafenis- of crematieplechtigheid. Een ander punt van overeenkomst is de inhoud van het gesprokene. Sommige mensen kunnen op een prachtige, indrukwekkende, originele of ontroerende manier vertellen, anderen kunnen dat veel minder, soms zodanig dat het extra pijnlijk wordt.

Ik geloof zonder meer dat het een goed gevoel kan geven als je als slachtoffer je verhaal hebt kunnen doen voor de rechters die de verdachte berechten en tegen degene die je als dader ziet. Maar er zijn ook keerzijden. Heel veel leed wordt opgerakeld, veel ellende wordt herbeleefd en indien de verdachte of diens advocaat in plaats van de gewenste spijtbetuiging de aanval op het slachtoffer kiest of lachende onverschilligheid toont, raakt dat opnieuw en keihard.

Strafadvies

Daarnaast kunnen, doordat het slachtoffer zich ook over de bewezenverklaring en strafmaat mag uitlaten, een strafadvies geeft, bij hem het onbegrip en de frustratie toenemen als dat advies niet wordt opgevolgd. Het is min of meer een standaardreactie dat als een orgaan of iemand mag adviseren en dat advies niet wordt opgevolgd, de conclusie is dat er niet is geluisterd. Naast het verdriet over in de ogen van het slachtoffer onterechte vrijspraak of de flutstraf (‘want wij hebben levenslang’), komt dan de boosheid dat er weer niet is geluisterd naar iemand die toch echt gedupeerd is.

In 2010 is door het WODC onderzoek gedaan naar de vraag of het ingevoerde (toen nog beperkte) spreekrecht voor slachtoffers had bijgedragen aan emotioneel herstel van de slachtoffers. De uitkomst was positief. Ik vraag mij af of dat nog steeds zo is. Zeker iets om over enkele jaren te onderzoeken.

Het lijkt erop dat de rol van het slachtoffer in het strafproces soms verder gaat dan bij de wetswijziging in 2016 werd beoogd. In het recente strafproces tegen de agenten die verdacht worden van betrokkenheid bij de dood van Mitch Henriquez oefenden de nabestaanden meer de rol van medeprocespartij uit dan die van spreker. Er werden, los van de verbale bijdragen, stukken en bewijsmiddelen (waaronder een filmpje) aan de rechtbank overhandigd. En uit ongenoegen over de gang van zaken tijdens het proces, vertrokken de nabestaanden.

Meeprocederen

Het is de taak van het Openbaar Ministerie om het dossier waarop recht wordt gedaan samen te stellen. Het OM heeft het vervolgingsmonopolie. Hoezeer ook in een strafproces heel serieuze aandacht moet zijn voor het slachtoffer en diens gerechtvaardigde belangen, het past niet in ons systeem dat in een strafproces meer partijen gaan meeprocederen waar het gaat om zaken als bewijs en dergelijke. Uiteraard is dat systeem aan te passen, maar ik vraag mij zeer af of een dergelijke aanpassing verstandig is. En helemaal of die bijdraagt aan herstel van emotionele schade bij slachtoffers.

 

 

De Togacolumn verschijnt wekelijks en wordt geschreven door een rechter, officier of advocaat.

Blogger

Matthieu Verhoeven

Matthieu Verhoeven studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daarna werkte hij ruim tien jaar als advocaat. Hij is sinds 1994 rechter, in diverse functies, van kantonrechter tot sectorvoorzitter, vooral werkzaam in de civiele sector van de rechtbank in Almelo. Op dit moment doet hij vooral insolventies (faillissementen en schuldsaneringen) en kort gedingen.