Meeuwen op zwavelzuur

Tijdschrift

Een onbelangrijk onderwerp, typografie en een raadsel; met die formule blijft het tijdschrift Furore fans trekken.

Mandarijnen op zwavelzuur (1964)

Brekend nieuws. De vogel op de omslag van Mandarijnen op zwavelzuur van W.F. Hermans is geen meeuw maar een Amerikaanse zeearend. Kees Fens heeft postuum gelijk gekregen. Als u nog weet wie W.F. Hermans (een schrijver) en Kees Fens (een literatuurcriticus) waren en misschien zelfs Hermans’ polemische bundel kent, is dit een belangwekkend bericht. Fens en Hermans kiftten in de jaren zestig van de vorige eeuw publiekelijk over de vogel. Toen Hermans volhield dat de kop op de cover een meeuw was en geen zeearend – en Fens hierbij vilein te kakken zette – liet Fens het erbij zitten.

Het nieuws staat in de laatste Furore, het onregelmatig verschijnende nauwelijks te omschrijven tijdschrift van Piet Schreuders (grafisch ontwerper). Het is opgeschreven door L.H. Wiener (schrijver), die het misverstand, dat geen misverstand kon zijn, met Piet Schreuders (tevens speurneus) de wereld uithielp.

Wiener schreef een verrukkelijk verhaal vol overbodige details. Zo vertelt Wiener dat hij in 1967 danig onder de indruk was van een lezing van Hermans. „Ik was toen tweeëntwintig. Na afloop ben ik om de hoek naar de hoeren gegaan.” Aan het einde schrijft Wiener hoe hij via de schrijfmachinecollectie van Hermans in Gent belandt en daar in gesprek raakt over een nieuwe uitgave van Mandarijnen, en hoe goed getroffen de kop van een arend op een vrouwenlichaam is.

„Het is een meeuw”, zegt een van de drie. Er valt een korte stilte.

„Een zeemeeuw.”

„Het is een arend”, zeg ik.

„Hermans heeft het zelf over een meeuw”, hoor ik dan.

„Het is een arend”, herhaal ik gedecideerd. „Geen enkele meeuw heeft zo’n haak aan zijn snavel.”

Piet Schreuders, die erbij was, besluit het uit te zoeken. Op zaterdag 2 september, zo vertelt hij aan de telefoon, zet hij op Facebook dat hij de bron van de vogelkop zoekt. „Op maandag 4 september om elf voor vijf stuurde iemand het antwoord.” De foto bleek, net als het vrouwenlichaam en de mond op de omslag, uit het Amerikaanse tijdschrift Life te komen. Uit een fotoreportage van 4 juli 1949 over de tamme Amerikaanse zeearend Águila. (Geen twijfel mogelijk, bevestigt NRC-ornitholoog Kester Freriks in een second opinion.)

Dat Hermans blufte, is daarmee met ouderwets speurwerk definitief vastgesteld. De vraag die met de methode-Schreuders niet te beantwoorden is, en waar L.H. Wiener mee afsluit is: „Waarom heeft niemand Hermans hierop ooit aangevallen?”

‘Het avifauna van W.F. Hermans’ heeft alle ingrediënten van een Furore-verhaal. Het gaat over iets onbelangrijks, over vormgeving en beeld, er is een raadsel, gevolgd door een ontdekking. En dan geestig opgeschreven. Schreuders trekt er, inclusief de cover met gestanst vrouwenlichaam, elf pagina’s voor uit.

Dat betekent dat er nog 41 pagina’s over zijn voor andere onbelangrijke zaken, zoals spelfouten in straatnamen in de stoeptegels van San Francisco (‘Twelvth Street’) en pikante covertjes van een oude Belgische pocketreeks. Alles voor de liefhebber. En dan brengt Schreuders, tevens uitgever van De Poezenkrant, ook nog oude Furore-nummers opnieuw uit. Daar blijft vraag naar; nummer 11 (Mexico) en 12 (Farrah Fawcett) zijn bijna aan de beurt.

Furore nr. 23; januari 2018; € 12,50; furoremagazine.com