Eritrese Shewit wordt een goede kok

Integratie

Eritreeërs integreren moeizaam. Maar met wat extra hulp zijn het betrouwbare werknemers.

Shewit Tewelde (24) snijdt gekookte aardappels in plakjes in de keuken van Eeterij Het Keldertje in Boskoop. Het is lunchtijd en het zit behoorlijk vol. Naast hem gooit een kok een handje gesnipperde ui in een koekenpan, voor een boerenomelet.

Ruim drie jaar woont Tewelde nu in Nederland. Hij vluchtte bijna vier jaar geleden uit Eritrea. De reis duurde een klein half jaar. Hij nam de route die de meeste, meestal jonge, Eritreeërs nemen: via Ethiopië naar Soedan, dan Libië, oversteek naar Italië en verder naar Nederland. „Libië was verschrikkelijk”, zegt hij. „Ik ben daar enorm vaak geslagen, ik weet nog steeds niet waarom.”

Richard van Loon, eigenaar van Het Keldertje, moest wel even nadenken toen een integratieconsulent van de gemeente Alphen aan den Rijn hem een jaar geleden belde met een vraag. Of hij een Eritrese stagiair kon hebben die graag de horeca in wilde maar nog nauwelijks Nederlands sprak en bovendien geen ervaring had. Van Loon: „Je weet dat als je zo’n jongen aanneemt, je er ook in moet investeren. En dat het kan mislukken.”

Met Shewit Tewelde pakte het goed uit. Hij begrijpt meestal wat er moet gebeuren en anders leggen zijn collega’s het nog een keer uit. Hij maakt inmiddels niet meer alleen schoon maar werkt ook mee in de keuken. „Alles van een bal gehakt draaien tot een ui snijden”, zegt Van Loon. „Hij wil volgend jaar een koksopleiding gaan volgen. Ik weet zeker dat hij dat kan.”

Ook Danny van Eijk van installatiebedrijf Akerdome in Ter Aar kreeg een telefoontje van de gemeente Alphen aan den Rijn voor een stageplaats voor een Eritreeër. Ook hij was vooraf ambivalent. Toen kwam Iseyas Tesfamaryam (23) twee dagen per week stage lopen. „Het belangrijkste is dat hij graag wil werken en leren”, zegt van Eijk.

Met het Nederlands had Iseyas moeite en hij had geen opleiding in techniek, maar hij liep met een ervaren monteur mee. „We maken hier lange dagen”, zegt Van Eijk. „Hij is er altijd op tijd. Vooraf had ik verwacht dat juist dat een probleem zou zijn.”

Iseyas Tesfamaryam moest leren de grapjes van collega’s te begrijpen. En hij moest wennen aan de hiërarchie, zegt Van Eijk. Of beter: Het gebrek daaraan. „Ik werk zelf ook mee. En ik hoef niet elke dag uitgebreid bedankt te worden.”

Tesfamaryam doet nu de opleiding voor assistent-monteur, een dag in de week naar school, vier dagen werken bij Akerdome. En als hij het goed doet, dan mag hij blijven, zegt Van Eijk. Als hij hem later alleen naar klanten moet sturen, dan zullen die misschien wel opkijken, denkt Van Eijk. „Dan moet hij zich bewijzen. Maar zoals het er nu naar uitziet, moet dat lukken.”

Werkethos

De integratie van Eritreeërs verloopt lastig, blijkt uit elk onderzoek. Er is geen recente groep asielzoekers die verder afstaat van de Nederlandse samenleving, schreef onlangs het Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS) dat onderzoek deed.

Tegelijkertijd is het, na Syriërs, de grootste groep vluchtelingen, en gaat het om relatief veel jongeren. Als die hun leven kunnen oppakken, scheelt dat de maatschappij veel geld.

Annet Keijzer werkt als integratieconsulent voor de gemeente Alphen aan den Rijn. Als er een jonge man als Shewit Tewelde in Alphen aan den Rijn of omstreken komt wonen, vraagt ze eerst wat voor werk hem trekt. Tewelde, die in Boskoop een huis had gekregen, wilde graag de horeca in. Keijzer belde alle restaurants in Boskoop. Het kost vaak moeite om werkgevers te overtuigen, zegt ze. Maar vaak zijn ze later extra enthousiast als ze zien wat voor een werkethos de Eritreeërs hebben.

Dat zegt ook haar collega Lisa van der Hulst, die flink wat Eritrese jongeren heeft geholpen aan een baan op de bloemenveiling. „Ze vinden het vaak eng. Ze hebben geen idee wat er van ze wordt verwacht. Maar als ze aan het werk zijn, wordt de angst vaak trots. Je ziet ze groeien en meer zelfvertrouwen krijgen.”

Belangrijk is vooral dat er één vertrouwd aanspreekpunt is, zegt Van der Hulst. „Iemand aan wie ze het durven vragen als ze iets niet snappen. Want dat is wel vaak een probleem.” Als dat in orde is, zijn werkgevers juist vaak opgetogen over het werkethos van hun nieuwe stagiair of werknemer, zo blijkt. Van der Hulst: „Dat Eritreeërs vaak te laat komen of niet komen opdagen, is een vooroordeel.”

Zowel Keijzer als Van der Hulst merkt dat zorgen over achtergebleven familie en traumatische gebeurtenissen in Eritrea of onderweg een grote rol spelen. „Praat erover”, adviseert Van der Hulst werkgevers. „Als collega’s weten hoe het zit en af en toe eens informeren, helpt dat.”

Nogal wat bagage

Van Loon (van Het Keldertje) hoorde stukje bij beetje over de achtergrond van Shewit. „Hij is getrouwd, en wil niets liever dan zijn vrouwtje hierheen halen. Het is wel iemand die nogal wat bagage meetorst.”

Tewelde schuift de aardappelschijfjes in een kom. Zijn gezicht betrekt als hij in moeizaam Nederlands vertelt over zijn vrouw Besrait (22) die al twee jaar in Ethiopië wacht op toestemming om naar Nederland te komen. Het is voor een vrouw zonder familie niet erg veilig in Ethiopië.

Tewelde maakt zich grote zorgen om haar, en mist zijn familie. Het contact met zijn jonge vrouw en met zijn familie gaat zeer moeizaam. „Mijn ouders wonen in een klein dorp. Ze hebben daar weinig. Geen elektriciteit. Eten verbouwen ze zelf. Er is geen bereik voor een telefoon.” Soms moet hij maanden wachten tot zijn moeder zeven uur met de bus naar de hoofdstad Asmara is gereisd voor een teken van leven.

De eenzaamheid drukt zwaar op Tewelde. Hij vindt het fijn om twee dagen per week bij Het Keldertje te werken maar hij vindt het jammer dat hij maar twee ochtenden per week naar Nederlandse les kan. „Als ik niet werk en niet op school zit, ben ik vaak alleen thuis. Dan ga ik denken, denken, denken.”