Jerry Fodor (1935-2017): de man die de menselijke geest opsplitste

Wetenschapsfilosofie

De filosoof Jerry Fodor stond aan de basis van de moderne cognitiewetenschappen. Hij ontwierp de ‘modular mind’, de menselijke geest die opgebouwd is uit verschillende cognitieve organen: voor taal, muziek, zicht, gehoor, geheugen, enzovoorts.

Jerry Fodor in 2007. Foto wikipedia

De Amerikaanse filosoof Jerry Fodor, die woensdag 29 november jl., op 82-jarige leeftijd in zijn woonplaats New York overleed, was één van de belangrijkste filosofen van de afgelopen decennia. Hij was de vader van de filosofie van de psychologie en hij stond aan de bakermat van de cognitiewetenschappen.

Fodor studeerde filosofie aan de Columbia Universiteit in Manhattan. Hij promoveerde aan Princeton in 1960. Zijn supervisor was Hilary Putnam die een vormende invloed op zijn denken heeft uitgeoefend. De andere bron waaruit Fodor heeft geput was Noam Chomsky, die van 1959 tot 1986 zijn collega was aan het MIT. De ideeën van Chomsky en Putnam waren voor elkaar gemaakt, maar het was Fodor die daartussen een grandioze synthese tot stand bracht. Van 1986 tot aan zijn dood was hij verbonden aan de Rutgers Universiteit in New Jersey, terwijl hij ook verbonden was aan de City University of New York.

Lees ook over Fodor’s taalfilosofie: Het einde van de betekenis

Tegen het behaviorisme

Toen Fodor zijn wetenschappelijke carrière in de jaren vijftig begon, was het behaviorisme de dominante stroming in de psychologie. Menselijk gedrag diende te worden verklaard door stimulus- en respons-reacties. Het beroemdste voorbeeld van dit verklaringsmodel waren de duiven van de psycholoog Skinner, die op deze manier ‘geconditioneerd’ konden worden om ping-pong te spelen. Skinner ging zelfs zover om de ontwikkeling van menselijk taalgebruik zo te beschrijven: dat zou ook ontstaan uit conditionering. Maar daarmee overspeelde hij zijn hand. In een genadeloze recensie wees Chomsky erop dat Skinner niet kon uitleggen hoe jonge kinderen na weinig stimuli toch in staat waren nieuwe zinnen te begrijpen en uit te spreken. De spurt in talige ontwikkeling in het tweede, derde levensjaar kon Skinner al helemaal niet verklaren. Volgens Chomsky was dit alleen begrijpelijk door aan te nemen dat mensen een aangeboren ‘taalorgaan’ bezitten, waardoor taal al met geringe input tot wasdom kon komen.

Lees over Noam Chomsky: hoe gaat het met de universele grammatica en hoe gaat het met Chomsky zelf?

De mens is een computer

In diezelfde tijd werd de filosoof Hilary Putnam geïnspireerd door de Engelse wiskundige en informaticapionier Alan Turing. Putnam bedacht de inmiddels haast clichématige computermetafoor over de geest: het denken is de software die ‘runt’ op de hardware, de hersenen. Behavioristen verklaarden menselijk gedrag door enkel te kijken naar stimulus (input) en respons (output) reacties zonder de menselijke geest daarin te betrekken. Dit is een miskenning van de geest, vond Putnam. Iemands wiskundeknobbel verklaart waarom hij of zij goed is in wiskunde. Mentale toestanden verklaren hoe de zintuiglijke informatie die binnenkomt leidt tot bepaald gedrag (output). Mensen zijn dus net als computers: de software bepaalt wat op het scherm verschijnt, als je iets hebt ingetypt. De mentale toestanden in je geest bepalen hoe je reageert, als je iets hebt waargenomen.

Lees ook de necrologie van Hilary Putnam (1926-2016): Schepper van de tweelingaarde

Strijd tegen Wittgenstein

Fodor bracht die ideeën van Chomsky en Putnam bij elkaar. Dit ging niet zonder slag of stoot. Fodor moest in de filosofie inzwemmen tegen de stroom des tijds die meende dat filosofische problemen voortkwamen uit verkeerd taalgebruik. Zo meende men dat het eeuwenoude probleem wat de relatie tussen de geest en het lichaam is, voortkwam uit de misvatting dat woorden alleen betekenis hebben, als ze staan voor dingen. Het woord geest zou dan ook staan voor ‘een ding’. Maar, zo meende men onder invloed van Wittgenstein, het woord geest krijgt enkel en alleen betekenis door te kijken naar zinvol gedrag van mensen, niet omdat het verwijst naar een mysterieus proces achter onze ogen.

Fodor, die een hekel had aan Wittgenstein, ging daar frontaal tegenin. Hij vond dat er in ons hoofd concrete gedachten bestaan die ons gedrag veroorzaken. Neem een zin als ‘Jan wil dat het ophoudt met regenen.’ Wittgenstein zou zeggen dat deze zin Jans gedrag beschrijft, waar we verder geen conclusies aan mogen verbinden. Fodor, daarentegen, is in de woorden van zijn vriend en collega-filosoof Daniel Dennett, een ‘industrial realist’. Deze zin is waar, omdat iemand, Jan, een relatie van ‘willen dat’ heeft met de zin ‘dat het ophoudt met regenen’.

Symbolisch rekenen

In 1975 verscheen het boek ‘The Language of Thought’, waarin Fodor betoogde dat psychologische verklaringen waar zijn, omdat mensen denken in een taal van het denken. Wij hebben, volgens Fodor, zinnen in ons hoofd met een syntactische structuur. Dankzij die structuur kunnen gedachten gedrag veroorzaken. De geest werkt als een Turing-machine, een computer. Denken is rekenen met symbolen.

Nog fundamenteler dan de taal van het denken hypothese was Fodors uitwerking van Chomsky’s idee van een aangeboren taalorgaan. In ‘The Modularity of Mind’ (1983) ontvouwde hij de theorie dat de menselijke geest niet opgevat moet worden als één geheel, maar dat zij is opgebouwd uit meerdere modules (naast het taalorgaan), zoals de visuele waarneming, gehoor, geheugen, en muzikaliteit.

Inmiddels is het vanzelfsprekend om de menselijke geest niet langer als een eenheid te zien, maar als een ensemble van deelsystemen, die afzonderlijk kunnen worden bestudeerd in een sub-persoonlijke psychologie.

Fel én verlegen

Fodor was een ongewoon levendige verschijning. Fel en polemisch in debat, bescheiden, verlegen wanneer je met hem in de pub zat. Dan uitte hij ook zijn gevoel voor literatuur, muziek en beeldende kunst. Maar bovenal blijft het beeld van een man met hartgrondige passie voor filosofie, die ’s ochtends vroeg voor het kantoor van zijn promovendus zat te wachten om het gesprek van de vorige avond te hervatten.