Column

De verwarring over het recht op spreken

The Washington Post stuurde me een link naar een artikel. ‘Een-vrouw-benaderde-The-Post-met dramatisch-en-onjuist-verhaal-over-roy-moore-ze-blijkt-deel-te-zijn-van-undercover-sting-operatie’. Nee, zucht je, hier ga ik niet op klikken. Maar je doet het toch.

Geen flauw idee wie Roy Moore is? Nou, dat is de Republikeinse senaatskandidaat in Alabama. O! Die! Ja. Die. Hij ligt onder vuur vanwege seksueel wangedrag. En nu vertelde een vrouw aan The Washington Post dat Roy Moore haar had bezwangerd op haar vijftiende, en dat ze daarop een abortus had ondergaan. Twee weken lang voerde ze met de krant gesprekken. Daarin vroeg ze de journalisten vrijuit te speculeren over de politieke repercussies die deze geschiedenis voor Moore zou hebben.

Uiteindelijk kwam aan het licht dat de vrouw, en ik citeer, want ik ben bang dat ik het nog steeds niet helemaal begrijp, dat ze „werkt voor een organisatie die bedrieglijke tactieken gebruikt om gesprekken op te nemen in een poging haar doelwitten in verlegenheid te brengen”. Wat ik ervan begrijp is dit: de vrouw was niet tegen Moore, ze was juist voor Moore. Zou nu een journalist van The Washington Post naar aanleiding van haar beschuldigingen iets lelijks zeggen over Moore, dan zou ze met haar geluidsopname kunnen aantonen hoe vooringenomen die linkse, elitaire, zelfgenoegzame... Nou ja, zoiets. Ingewikkeld.

Om niet meegesleept te worden door vergelijkbare akkefietjes in pers en politiek hier, blijf ik voor de broodnodige distantie in het buitenland hangen. In Groot-Brittannië bijvoorbeeld, waar een onderzoeksinstituut op zijn zoektocht naar waarheid en leugen een Waarachtigheid Index publiceerde, ‘the 2017 Ipsos MORI Veracity Index’, die meet of men nog wel vertrouwen heeft in professionals.

Wat blijkt? Politici blijven met 17 procent de minst vertrouwde beroepsgroep in het koninkrijk. Verpleegkundigen met 91 procent de meest vertrouwde. In journalisten heeft slechts 27 procent van de Britten vertrouwen en hoogleraren werden zes jaar geleden door wel 74 en inmiddels zelfs door 95 procent van de Britten vertrouwd. Wetenschappers in het algemeen scoren 83 procent. Las ik het nieuws uit Amerika als een Brit, dan zou ik dus geen stuiver geven voor die hele Roy Moore. Toch zou ik tegelijkertijd ook denken dat The Post de boel voor de gek hield. Mijn laatste sprankje hoop zou ik daarom waarschijnlijk op de wetenschap vestigen. Moesten de universiteiten niet eens onderzoeken wie in deze leugenachtige wereld nog waarachtig is?

Goed idee. Nu we zijn begonnen over Republikeins gedoe uit Alabama, willen we het weten ook. Maar dan dient zich een complicatie aan – en hier begint echt alles te schuiven – want volgens de Amerikanen zijn de Amerikaanse universiteiten weliswaar best te vertrouwen, maar eigenlijk denken alleen de Democraten er zo over.

Het Pew Research Center, een onpartijdige ‘feittank’ in Washington, legde in 2010 mensen al eens de stelling voor dat universiteiten een positief effect op de samenleving hebben. Toen was 65 procent van de Democraten het daarmee eens en ook 58 procent van de Republikeinen. Inmiddels is het verschil tussen de twee kampen flink gegroeid: van de Democraten hecht inmiddels 72 procent aan de inbreng van de universiteiten, onder de Republikeinen is dat teruggelopen tot 36.

Hoe je het ook wendt of keert, een dramatische terugval van vertrouwen in universiteiten is niet goed in een omgeving waarin waarachtigheid schaars is. En daarom is het verhelderend in The Atlantic het mooie artikel van politicoloog Teresa M. Bejan te lezen over de clash aan de Amerikaanse en Europese universiteiten. Volgens haar komt die voort uit verwarring over het recht op spreken.

Als het ene kamp denkt geen stem meer te hebben aan de universiteiten, doordat die linkse, elitaire, zelfgenoegzame bende de deur dicht gooit, beroept het zich op het recht tot het vrij spuien van ongerieflijke ideeën. De oude Grieken noemde die versie van vrijheid van spreken ‘parresia’. Als het andere kamp de deur dicht gooit, omdat die rechtse barbaren zulke ongerieflijke ideeën spuien, beroept het zich op bescherming van kwetsbare groepen en hun gelijke toegang tot het debat. De oude Grieken noemde dit ‘isegoria’.

Wil in al deze verziekte gesprekken het vertrouwen terugkeren, dan zal het besef door moeten breken wat het recht op spreken betekent. Niet dat jouw stem die van anderen onhoorbaar maakt. Maar ook niet dat iedereen hetzelfde zegt. Het zou mooi zijn als op zijn minst in de academische wereld de waarachtigheid zou toenemen. Want van die lui van de pers en de politiek valt, zoals we allemaal weten, niet veel te verwachten. Van de verpleegkundigen, ja, maar zo ziek zijn we nou ook weer niet.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl