Opinie

Weigeren hoofddoek bij de politie is geen discriminatie

Neutraliteit bij de overheid is geen vrijheidsbeperkende bepaling, maar een preventieve maatregel, betoogt Cor de Hart.

Het College voor de Rechten van de Mens heeft uitgesproken dat een politieagente die in burgerkleding dienst doet en daarbij weinig contact heeft met het publiek, een hoofddoek mag dragen. Een niet-bindende uitspraak. Daarmee rijst opnieuw de vraag of de vereiste neutraliteit van de overheid een legitieme grond is om de vrijheidsrechten van burgers in dienst van de overheid te beperken met kledingvoorschriften.

De Nederlandse samenleving had een antwoord dat verder reikte dan die vraag. In artikel 23 van de eerste Grondwet van Nederland – ‘De Staatsregeling voor het Bataafsche Volk’ van 1798, waarvan de sporen zijn terug te vinden in latere Grondwetten – was het volgende bepaald: Niemand zal met eenig ordeskleed of teeken of van een kerklyk genootschap buiten zyn kerkgebouw verschynen.

Zelfs in de publieke ruimte dienden alle burgers religieus neutraal te zijn gekleed. Met deze bepaling werd beoogd spanningen tussen religieuze groeperingen te voorkomen. Een soortgelijke bepaling vinden we in latere Grondwetten niet terug. Dat politisering en spanningen tussen religieuze groeperingen nog aanwezig waren en tot uitbarsting konden komen, leerden jaren later ondermeer de April-beweging van 1853 en het Processieverbod, dat pas in 1983 werd opgeheven. Pas in 2002 werd toestemming gegeven voor een processie.

De bepaling uit 1798 en wat daarna kwam, leert dat sprake is van een voortgaande discussie over een normconflict. De neutraliteit van de overheid als beschermer van de vrijheidsrechten van alle burgers versus beperking van die rechten voor overheidsfunctionarissen. Dat reikt verder dan kledingvoorschriften. Mogen ambtenaren van de burgerlijke stand zich verschonen om een homopaar te trouwen? Waarom wel/niet? Intussen zien we opnieuw dat religieuze stromingen worden gepolitiseerd en spanningen ontstaan. Draagt de hoofddoek voor de politie daaraan bij? En het keppeltje, het kruisje?

Een verwijzing naar andere landen waar het dragen van ‘enig religieus teeken’ door overheidsfunctionarissen is toegestaan volstaat niet. Andere landen hebben een eigen invulling van de scheiding tussen kerk en staat, een eigen geschiedenis, traditie en cultuur.

Niet het toekennen van een vrijheidsrecht behoort te worden gelegitimeerd, maar het onthouden van zo’n recht. In de Nederlandse situatie is het niet mogen dragen van ‘enig teeken’ door overheidsfunctionarissen gelegitimeerd door de lessen van de geschiedenis.

Deze verklaren de traditie van neutraliteit en leren dat spanningen tussen groeperingen in de samenleving geneutraliseerd kunnen worden door een zichtbaar neutrale overheid. Heroverweging van deze traditie kan wenselijk zijn. Dat vraagt wel om een maatschappelijke discussie waarin pro’s en contra’s worden afgewogen vanuit het genoemde beginsel dat niet de toekenning, maar het onthouden van een vrijheidsrecht behoort te worden gelegitimeerd. Voor het oplossen van dit normconflict kan niet worden volstaan met uitsluitend te redeneren vanuit het non-discriminatiebeginsel.