‘We waren niet voorbereid op een plotselinge val uit het paradijs’

Luna Zegers (43) verloor in nog geen zes jaar tijd haar vader, zus en moeder. Pas jaren later vond ze een uitlaatklep voor het verdriet, in flamencozang. „Een Astrid Lindgren-gezin waren we. Juist daarom waren de barsten in de idylle zo moeilijk te accepteren.”

Fotografie Lars van den BrinkLuna Zegers Lars van den Brink

‘Lolleke? Wie noemt zijn kind nou Lolleke!’ Toen Lonneke Zegers werd geboren, in oktober 1974 in het Brabantse Overloon, gingen haar ouders Theo en Mieke het dorp rond om het nieuws te vertellen – net zoals ze anderhalf jaar eerder hadden gedaan bij hun eerste dochter, Marieke. Maar de opa van Lonneke was hardhorend en zo kwam ze al vroeg aan haar bijnamen: Lollige Lolleke. Lolleke Bolleke.

43 jaar later zit ik in een Haags café tegenover flamencozangeres Luna Zegers – de Lonneke van weleer. Afgelopen januari verscheen haar debuutalbum Entre dos mundos, over de twee werelden waartussen ze zich bevindt. Tussen Barcelona en Amsterdam, tussen Spanje en Nederland. Tussen haar veilige geborgen jeugd en de eenzaamheid daarna. Vorige week verscheen haar autobiografie: Solo. Een titel die niet alleen verwijst naar haar zangcarrière, maar ook naar haar levensloop. In nog geen zes jaar tijd overleden achtereenvolgens haar vader, zus en moeder. Negentien was ze toen Theo overleed, eenentwintig toen Marieke stierf, vijfentwintig toen Mieke doodging.

„Een Astrid Lindgren-gezin waren we”, zegt Zegers. „Alsof ons leven zich afspeelde in een Zweeds kinderboek. Hecht, liefdevol, blij. Dit jaar, tijdens het schrijven van mijn boek, heb ik voor het eerst alle dia’s van vroeger durven te bekijken. Vakanties in Frankrijk met z’n vieren. Op de schommel in Overloon. En vooral: heel veel foto’s van Marieke en mij met een boek. We waren lid van de Lemniscaat-club, dan kreeg je eens in de zoveel tijd een nieuw kinderboek opgestuurd. Het logo van de uitgeverij was een lemniscaat - een dubbele lus, een langgerekte acht, het symbool van oneindigheid. Zo voelde het bij ons thuis. Oneindig geborgen.”

Het album Entre dos mundos van Luna Zegers.

Tot begin jaren negentig de eerste barsten ontstonden. Uw vader werd ziek.

„Hij was aardrijkskundeleraar, heel bevlogen in zijn vak. Op vakanties wees hij ons op bijzondere aardlagen, in de achtertuin deed hij proefjes met regenmeters. Op school was hij populair – meneer Zegers was de enige leraar bij wie je een 11 kon halen. Hij kende alle leerlingen bij naam, wist waar ze zich voor interesseerden en hoe hij ze bij de les kon houden. Maar geleidelijk werden zijn lessen steeds warriger, de verhaallijn was zoek. Ook fysiek kreeg hij kwalen: evenwichtsstoornissen, stramme ledematen. Mijn moeder fietste vaak met hem mee naar school, omdat hij anders de weg kwijtraakte. Uiteindelijk was het niet meer vol te houden en kwam hij ziek thuis te zitten. Geen dokter die wist wat er aan de hand was. In de maanden daarop ging hij steeds verder achteruit, tot hij uiteindelijk in de Vincent van Gogh-kliniek in Venray werd opgenomen. Daar is hij ook overleden. Pas na zijn dood hebben we ontdekt waar hij aan leed: het syndroom van Gerstmann-Sträussler-Scheinker. Een zeldzame, altijd dodelijk aflopende hersenziekte, die ontstaat door afwijkend eiwit. Erfelijk, bovendien.”

In ‘Solo’ citeert u uit Mariekes puberdagboek: ‘Mijn vader en moeder zeggen altijd: als je met problemen zit, vertel ze en blijf er niet mee tobben.’ Toch schrijft u dat er thuis nauwelijks werd gesproken over uw vaders achteruitgang.

„Dat is het paradoxale van die veilige opvoeding. Liefdesverdriet, gepieker, ruzies op school: onze ouders luisterden altijd. Maar juist omdat we zo hecht waren, was het moeilijk om te accepteren dat er barsten in de idylle ontstonden. We waren niet voorbereid op een plotselinge val uit het paradijs. Mijn moeder probeerde dat paradijselijke gevoel zo lang mogelijk in stand te houden, ze gunde Marieke en mij een onbezorgde puberteit. Bovendien verliep het ziekte proces van mijn vader zo sluipend, dat het soms moeilijk was er de vinger op te leggen. Vergelijk het met een verwelkende bloem: de transformatie verloopt zo geleidelijk dat het haast onzichtbaar gebeurt.”

Marieke schreef ook: ‘De reden voor mijn schrijven is dat als ik sterf, ook mensen buiten mijn kennissen-, vrienden- en familiekring om weten wie die Marieke is.’ In 1993 overleed ze, net 23 jaar oud.

„Kort na mijn vaders crematie begon haar gedrag te veranderen. Ze was altijd zo gedreven, maar opeens kreeg ze last van concentratiestoornissen. Ook veranderden haar emoties: van gevoelig en meegaand naar opstandig. Rouwverwerking, oordeelden de artsen. Maar toen ze zienderogen achteruitging, ook fysiek, en haar taalgebruik steeds meer begon te lijken op dat van een 10-jarige, wist mijn moeder al wat later officieel werd vastgesteld: ook Marieke had GSS. Alleen openbaarden de symptomen zich veel vroeger dan bij wie dan ook. Na Mariekes overlijden heb ik me laten testen op GSS. Ik heb het gen niet geërfd van mijn vader. Ik heb me lang schuldig gevoeld, gedacht: had ik het gen maar gehad, en niet Marieke.”

Was de intensiteit van de flamenco een uitlaatklep voor uw gevoel?

„Ja, jaren later. In de jaren na Mariekes dood hadden mijn moeder en ik soms heftige aanvaringen. Onze emoties stuiterden alle kanten uit. Het ene moment stonden we tegen elkaar te schreeuwen, het volgende hadden we samen een onbedaarlijke lachbui. Voor omstanders onbegrijpelijk, maar het kon, omdat onze liefde voor elkaar veilig en onvoorwaardelijk was. Ze overleed in 1999, aan kanker. Opeens werd ik zo moe. Ik had jarenlang voor anderen gezorgd, wist niet wie ik was als ik voor niemand zorgde.

„Ik heb anderhalf jaar een intensief therapietraject gevolgd. Daar leerde ik dat ik niet altijd sterk hoef te zijn, dat ik de kwetsbaarheid mocht toelaten. Juist door je gevoel te tonen kun je je verbinden met anderen. Zolang je je gevoel wegstopt, word je minder geraakt, maar blijf je eenzaam. Na therapie ging ik naar India. Voor het eerst had ik mijn gevoel niet diep weggestopt, en daardoor kwam alles extra binnen. Ook de muziek. Op een avond hoorde ik in India een nummer van een Spaanse flamencozanger, Camarón. Dat oergevoel dat uit die zang sprak – angst, verdriet, woede, blijdschap, alles ineengebald – herkende ik zo erg. Ik was ontheemd, maar flamenco voelde als thuiskomen.”

Niet alleen uw gevoelens voor flamenco laaiden hoog op. In ‘Solo’ beschrijft u een reeks amoureuze verbintenissen: langdurige relaties, one-nightstands. Wat maakte dat u al die mannen bij naam wilde noemen?

„Omdat ze me allemaal geholpen hebben te worden tot wie ik ben, ze hebben mijn persoonlijkheid helpen aanscherpen. Ik was niet alleen mijn familie kwijt, maar ook mijn identiteit. Ik snakte ook naar aanraking, naar armen om me heen. Mijn veilige grenzen waren weggevallen, ik voelde me naakt en eenzaam. Dan is fysiek contact heel troostrijk. Daarnaast had ik behoefte aan nieuwe ontmoetingen, nieuwe invloeden. Ik was klassiek en netjes opgevoed, en had, mede door alle ingrijpende gebeurtenissen, mijn wilde flapuitkant afgeremd. Terwijl ik die kant ook in me heb.”

Lolleke Losbolleke.

„Precies. Na het overlijden van mijn moeder voelde ik me verantwoordelijk om een volwassen leven te leiden, met weloverwogen keuzes. Autonoom leven betekent ook: het leven leiden dat ik wil. Het blijft een struggle: enerzijds verantwoordelijkheid, anderzijds vrijheid. Maar het lukt me steeds meer. Mijn leven nu – 50-50 in Nederland en Spanje – benadert de goede balans.”

Luna Zegers: Solo. Ambo/Anthos, 198 blz, 20 euro