Strijden tegen de onderwijssegregatie

Onderwijs

Steeds meer kinderen, steeds diverser, steeds meer gesegregeerd. Dat is het probleem voor onderwijs-wethouders in de steden.

Hoe zorg je ervoor dat alle leerlingen evenveel van onderwijs profiteren, terwijl de verschillen tussen kinderen van hoog- en laagopgeleiden toenemen? Dat is een prangende vraag voor het nieuwe kabinet, dat deze week over de onderwijsbegroting debatteert en dat kansengelijkheid in het regeerakkoord tot belangrijk doel heeft benoemd.

Ook onderwijswethouders zijn veel met die vraag bezig. Vooral in de grote stad, waar een mengelmoes van mensen woont. Wat zien zij als de grootste uitdagingen voor het onderwijs? NRC vroeg het de wethouders van de vier grootste steden.

1 Kansenongelijkheid

„Wat je van thuis meekrijgt, is zo relevant voor je ontwikkeling”, zegt Saskia Bruines, wethouder in Den Haag (D66). „Als je aandacht krijgt, veel speelt en wordt voorgelezen, dan heb je een heel andere start dan als je in een familie wordt geboren waar die mogelijkheden niet zijn.”

Steden proberen de kansenongelijkheid met allerlei maatregelen te verkleinen. Verlengde leertijd, voor- en naschoolse activiteiten, zomer- en weekendscholen. Ouders worden ondersteund. Er zijn potjes voor theater en muziek.

Wat niet helpt, zegt Bruines, is de ontwikkeling van huiswerkklassen buiten schooltijd, waar vooral kinderen naar toe gaan die het tij al mee hebben. „Zij zijn hun schooltijd aan het verdubbelen. Kinderen die het moeten doen met wat een school te bieden heeft, kunnen die ratrace bijna niet meer bijhouden.”

2 Segregatie

In alle steden kun je de kansenongelijkheid op een plattegrond uittekenen. In Amsterdam fietst meer dan de helft van de kinderen met hoogopgeleide ouders die in stadsdeel Oost, West of Nieuw-West opgroeien naar een school in het gegoede Zuid.

„We moeten er alles aan doen om onderwijssegregatie te stoppen”, zegt Sven de Langen, wethouder in Rotterdam (CDA). „Dat doen we door zwakke scholen tegen te gaan. We willen een divers aanbod. Niet, plat gezegd, de excellente scholen in de goede wijken. Alle ouders zouden hun kind naar een goede school in de buurt moeten kunnen sturen.”

Een probleem: scholen selecteren leerlingen, tegen de regels in. Of ze vragen ouderbijdragen van meer dan 500 euro. De Langen is er fel over. „Je wilt diverse klassen. Scholen die barrières opwerpen, bevorderen segregatie. En in Rotterdam kunnen we dat niet gebruiken.”

Wethouders hebben beperkte mogelijkheden om hier iets tegen te doen. Eigenlijk gaan ze alleen over de gebouwen en leerplicht. En kun je wel sturen tegen de keuzevrijheid van ouders in? „Die kent ook grenzen”, vindt De Langen. „Het algemene belang weegt voor mij zwaarder. Je komt dan wel in een dilemma terecht, want je wilt die ouders ook behouden als stad.” Het Rijk zou zich hiermee moeten bemoeien, vindt hij.

3 Lerarentekort

Wil je een complex probleem als segregatie aanpakken, zeggen wethouders, dan heb je goede docenten nodig. En dat is een probleem: de tekorten lopen op. In Rotterdam bijvoorbeeld zijn er, als er niets gebeurt, in 2021 ruim 400 basisschoolleraren te weinig – dat betekent dat er in één op de tien klassen geen leraar staat.

Grote steden proberen op allerlei manieren leraren te trekken: beurzen (Rotterdam), extra geld voor mensen voor de klas (onder meer in Amsterdam), vergoeding van reiskosten (Amsterdam), inzet op middeldure huurwoningen (Den Haag) of woningen bijbouwen (Utrecht). Het vak ‘leraar’ is uitdagender in de grote stad, zeggen wethouders. „Hier heb je klassen waar wel twintig leerlingen met problemen in zitten”, zegt Simone Kukenheim, wethouder in Amsterdam (D66). „Dat is zwaar lesgeven. We kijken daarom: wat heeft een docent nodig om het hier vol te houden? Dat subsidiëren we.”

4 Groei

Terwijl veel scholen in Nederland kampen met leerlingendaling, hebben de grote steden te maken met groei. Vooral Utrecht en Amsterdam. „De komende jaren hebben wij 4.000 plekken op middelbare scholen extra nodig”, zegt de Utrechtse wethouder Jeroen Kreijkamp (D66). „En scholen zitten nu al bijna vol.”

Gemeenten kunnen geen nieuwe scholen stichten. „Wij moeten groeien door van bestaande scholen steeds een nieuwe vestiging te maken”, zegt Kukenheim. „Maar daarvoor krijg je minder geld.” Om de groei op te vangen, willen steden graag experimenteerruimte. „We stuiten op de grenzen van de regels.”

5 Onderwijsachterstanden

Scholen en gemeenten krijgen geld uit Den Haag om leerlingen met het risico op een leerachterstand te helpen. Daarvan bieden ze taal- en rekenprogramma’s aan peuters en kleuters aan. Omdat grote steden het belangrijk vinden dat kinderen van verschillende achtergronden elkaar tegenkomen, bieden sommige die mogelijkheid aan álle peuters – niet alleen die met een achterstand.

Maar de grote steden dreigen fors geld te verliezen. Het budget (volgend jaar 366 miljoen euro) zal anders worden verdeeld, omdat er een betere rekenmethode is om achterstanden vast te stellen. Minister Slob (Onderwijs, CU) beslist daarover. „Ons kan dat per jaar 17 miljoen euro kosten”, zegt Bruines. Het risico? Dat de kansenongelijkheid toeneemt, zegt De Langen. „Wij zijn hard op weg om onze resultaten gelijk te trekken met het landelijk niveau. We willen niet verslappen.”