Sporten op school als de poort naar geluk

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: een Amerikaanse droom voor iedereen zonder talen- of wiskundeknobbel

Wanneer ik om vijf uur ’s middags de kamer van mijn dochter binnenloop, ligt haar vriendin Julianne met schoenen en jas aan overdwars op haar bed te slapen.

„Ze kwam huiswerk maken”, zegt mijn dochter, „maar ze had nog niet haar tas neergezet of ze viel in slaap.”

„Wat nu?”, vraag ik.

„Lekker laten slapen”, zegt ze, „je krijgt haar toch niet wakker. Ze is uitgeput. En morgenochtend moet ze weer om vier uur opstaan voor de ijshockeytraining.”

Sport is heilig op school. Elk zwemteam wordt behandeld alsof het de olympische afvaardiging is. Deze kinderen moeten eindeloos trainen op onmogelijke tijden tussen lange schooldagen vol toetsen en examens.

Sport zou de grote gelijkmaker zijn. Ook zonder talen- of wiskundeknobbel kan elk kind zijn geluk beproeven met tennis of voetbal. Elite-universiteiten houden deze illusie in stand door elk jaar opnieuw te vechten om de beste atleten. Ze lokken die met volledige studiebeurzen, aangevuld met gewilde privileges zoals een eigen kamer. Lang voordat de gewone studenten zich zelfs maar kunnen aanmelden voor de moordende toelatingsprocedure zijn alle hockey- en lacrosseteams al gevuld.

De media spelen hierin een belangrijke rol. De lokale kranten hebben aparte pagina’s voor de schoolsport. Wedstrijden van twaalfjarigen worden verslagen als de finale van de Champions League. Voor scholen is niets mooier dan in de krant te staan met een spectaculaire foto van een winnend doelpunt. De muren hangen vol knipsels, de kasten zijn gevuld met trofeeën en bokalen. Je zou bijna vergeten dat scholen er in eerste instantie zijn om te leren.

Menig ouder gelooft dat sport de poort is naar een lang en gelukkig leven. Bij de geboorte van hun kroost kiezen ze al een activiteit uit. Peuters worden toegeschreeuwd door privétrainers. Deze weg naar de universiteit lijkt makkelijker dan zes talen leren of uitblinken in algebra of geschiedenis.

Maar de ouders maken een denkfout. Er is niet één Johnnie die goed is in football of ijshockey, er zijn er honderdduizenden. Onderschat niet hoe zwaar en lang dit pad is. Kinderen in topteams vliegen in het weekend naar Florida, Californië of Texas om uitwedstrijden te spelen. Met een terugvlucht op zondagnacht om maandag rechtstreeks naar school te gaan. Alles voor een sportcarrière.

Wat levert al dat sporten op? Voor de meeste kinderen zeker niet de gedroomde gouden wikkel met een toegangskaartje voor een prestigieuze universiteit. In het beste geval heb je tijdens je studentenjaren een korte carrière aan een middelmatige instelling. Daarna word je geschiedenisleraar en parttime hockeycoach op je oude school, waar je zelf weer kinderen gek kan maken om te geloven in die droom. Zo is de cirkel rond.

Om vier uur in de ochtend word ik wakker van gestommel in huis. De douche gaat aan en uit. In de keuken wordt thee gezet. In het aardedonker zie ik Julianne naar haar auto lopen. Ze struikelt over haar stick, terwijl ze naar ons buurmeisje zwaait dat tegelijkertijd vertrekt naar haar zwemtraining.

Onze dochter draait zich ondertussen nog eens lekker om. Nog drie uur in dromenland.

Reacties naar pdejong@ias.edu