Column

Europese eenwording met horten en stoten

Het is een bekend cliché: „Europese democratie is onmogelijk, er bestaat namelijk geen Europees demos.” Daar zat ooit wel iets in, maar juist de afgelopen decennia is er wel degelijk iets ontstaan als een gedeeld Europees bewustzijn.

Dat proces zou men, vrij naar Robert Bartlett, ‘de europeanisering van Europa’ kunnen noemen. In zijn klassieke studie over het middeleeuwse Europa, The Making of Europe: Conquest, Colonization and Cultural Change (950-1350) beschreef de Britse historicus het proces van verspreiding van een Europese eenheidscultuur over het continent. Die verspreiding was mede het gevolg van een volksverhuizing – vanuit West-Europa richting oosten en zuiden. Behalve hun voornamen en heiligendagen namen deze ‘westerse migranten’ ook hun geloofsopvattingen en ideeën over deugdelijk bestuur, burgerlijke vrijheden en het belang van scholing mee naar hun nieuwe thuislanden, zoals Spanje en Oost-Europa.

Europa zou ruim vijfhonderd jaar blijven wat het sindsdien was geworden: cultureel min of meer een eenheid, politiek diep verdeeld. De prijs voor die politieke verdeeldheid bleek in de eerste helft van de twintigste eeuw uiteindelijk te hoog: twee wereldoorlogen met tientallen miljoenen doden. De naoorlogse zoektocht naar een oplossing voor dit probleem leidde tot de geboorte van het project van Europese eenwording.

Van goedkope vluchten tot sociale media: heel Europa lag opeens onder handbereik.

Europese integratie betekende aanvankelijk vooral het scheppen van mogelijkheden voor werknemers en bedrijven om ook buiten de eigen landsgrenzen te opereren. Vanaf de jaren tachtig verschoof het accent naar het opruimen van obstakels die bredere Europese integratie in de weg stonden. Europa werd een grote economische ruimte, de Interne Markt genaamd, met gezamenlijke standaarden voor sociaal beleid en milieuhandhaving. De binnengrenzen werden ontmanteld via het Verdrag van Schengen. Van een Europees burgerschap dat deze nieuwe gedeelde ruimte had moeten vullen, was nog niet echt sprake. Er was een Unie, maar geen volk om deze gestalte te geven.

Dat dit volk sinds de eeuwwisseling langzaam maar zeker wel aan het ontstaan is, is deels een gevolg van inspanningen in vorige fasen van Europese eenwording. De aanleg van een Europees netwerk van snelwegen en treinverbindingen, het uitwisselingsprogramma voor studenten (Erasmus), het mogelijk maken van arbeidsmigratie binnen de Unie: het heeft allemaal geholpen om bij inwoners van verschillende lidstaten het besef te wekken dat ze samen één Unie bevolken. Technologische ontwikkelingen hebben ook een bijdrage geleverd, van goedkope vluchten tot sociale media: heel Europa lag opeens onder handbereik.

Twee Europese crises – de eurocrisis van 2010 en de migratiecrisis van 2015 – hebben uiteindelijk het besef doen ontstaan dat Europese eenwording een project is dat ons allemaal aangaat. Opeens begreep men dat als Griekenland zijn begroting niet op orde had, of als op de Balkan een grenshek omviel, dat verstrekkende gevolgen kon hebben voor ons, hier. Europese toppen werden voorpaginanieuws, de inzet van de eigen regering bij die toppen onderwerp van nationaal debat. Leidende politici werden pan-Europese politieke fenomenen (of haatfiguren; het is ongetwijfeld geen toeval dat uitgerekend in de fase waarin het Europees burgerschapsbesef groeide ook de euroscepsis toenam).

Zo is Europa langzamerhand aan het europeaniseren. Het is nog lang geen voltooid proces. Het ontstaan van een Europees demos hoeft ook niet automatisch tot verdere democratisering van het beleid te leiden. Maar het is wel duidelijk dat het cliché bijstelling behoeft.