Recensie

Daniil Trifonov: mephisto-achtige klankalchemist

Klassiek

In de serie Meesterpianisten liet Trifonov zijn affiniteit voor fluisterdynamieken en bezonken halftinten horen. In het onstuimiger werk bleek er ruimte voor groei.

Afgelopen oktober verscheen Daniil Trifonovs nieuwe Chopin-cd bij Deutsche Grammophon. Foto Trifonov.com

De Russische pianist Daniil Trifonov is pas 26 jaar. Aan het klavier wekt hij echter de indruk van een oude wijze meester. Dat is deels een kwestie van houding (met kromme rug aandachtig over de toetsen gebogen), maar vooral van stijl. Wie zondag bij de serie Meesterpianisten was, wist vanaf de eerste maat: hier speelt geen krachtpatser of showpony, maar een mephisto-achtige klankalchemist met affiniteit voor fluisterdynamieken en bezonken halftinten.

Afgelopen oktober verscheen Trifonovs nieuwe Chopin-cd bij Deutsche Grammophon, een kloeke dubbelrelease met onder meer een verzameling chopineske karakterstukken van collegacomponisten. Enkele daarvan stonden ook zondag op het programma. Neem Griegs Hommage à Chopin (op. 73/5), een wervelende mini-étude waarin Trifonov de illusie wekte dat de tonen zonder tussenkomst van toetsen, hamers en snaren uit zijn vingers vloeiden.

Ook in Barbers Nocturne (op. 33), nachtelijke klankmystiek van melodische schimmen en harmonische donkerschakeringen, wist Trifonov blindelings de weg.

Verrassend, want zelden gespeeld: Federico Mompous Variations sur un thème de Chopin, waarin de Catalaanse miniaturist de ‘Prélude’ in A-groot tot op het bot ontleedt. De brokstukken smeedt hij in zijn eigen introverte klankwereld aaneen tot een reeks korte sfeerstukken.

Mompous schuchtere pianopoëzie was koren op de molen van Trifonov. Met zijn tastende toucher liet hij cantabile-lijnen blozen en suggereerde hij impressionistische doorkijkjes in een subtiel uitgelicht septiem- of none-akkoord. Mooi ook hoe de pianist reliëf wist te leggen in de derde variatie voor louter de linkerhand.

Stroever verliep de climax van de variatiereeks, een duivelse ‘Galope’, waarin een moordend tempo ten koste ging van transparantie en nuance. De apotheose van Rachmaninovs Chopin-variaties (opus 22) kampte eveneens met klonterende texturen. Jammer, want eerder in het stuk speelde Trifonov verbluffende spelletjes met voor- en achtergrond, klank en weerklank, licht en donker.

Incidentele schoonheidsfoutjes of een meer structureel probleem? Een nogal rommelige interpretatie van het stuwende openingsthema uit Chopins Tweede pianosonate deed het laatste vermoeden, al maakte hoger klankonderzoek (huiveringwekkend spookachtige resonanties) in de ‘Marche funèbre’ veel goed.

Trifonov is ontegenzeggelijk een zeldzaam fenomeen, maar kennelijk is er nog ruimte voor groei in het meer onstuimige werk.