Boegbeeld van jeugdzorg mengt zich in elk debat

Hij koos in 1993 voor kinderpsychiatrie. Nu is Vlaming Robert Vermeiren in Nederland het gezicht van de jeugdzorg. Hij kan het niet laten op te komen voor jongeren.

Hij denkt snel, praat snel, voert gesprekken op het puntje van zijn stoel en twittert dat het een aard heeft. Olivier Middendorp

Wie moet je volgen om het lot van Nederlands kwetsbaarste kinderen goed in het oog te houden? Een Belg met slecht zicht.

Robert Vermeiren (49), geboren Gentenaar, is zowel bijziend als verziend, kijkt de wereld in met slechts één oog tegelijk, maar zijn kijk op jeugdzorg is een leidraad voor velen. Met zijn vasthoudende kritiek op bezuinigingen, op inhoudelijke bemoeizucht van gemeenten, op administratieve rompslomp, is hij uitgegroeid tot een van de meest bekende personen in de jeugdzorg.

Die bekendheid vloeit deels voort uit zijn functies. Zijn voorzitterschap van de afdeling kinderpsychiatrie van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), van 2014 tot eind vorige maand, liep synchroon met een grote ommezwaai in de sector: de decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten. Vermeiren – nu ‘gewoon’ bestuurslid bij de NVvP-afdeling kinderpsychiatrie – is tevens directeur patiëntenzorg van jeugd-ggz-instelling Curium-LUMC, en hoogleraar kinderpsychiatrie in zowel Leiden als Amsterdam.

Maar dat juist híj een boegbeeld van de jeugdzorg is geworden, ligt vermoedelijk vooral aan zijn manier van doen. Hij mengt zich voortdurend in het maatschappelijk debat, simpelweg omdat hij dat niet laten kan. Hij denkt snel, praat snel, voert gesprekken op het puntje van zijn stoel en twittert dat het een aard heeft. Bijna tienduizend Twittervolgers heeft hij, opmerkelijk veel voor een kinder- en jeugdpsychiater. Onder de volgers: de directeur-generaal van VWS, de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Kamerleden die gaan over jeugdzorg en journalisten van tal van serieuze media. Gevoed worden de volgers voldoende. 26.574 tweets stuurde Vermeiren in zesenhalf jaar de wereld in; een gemiddelde van ruim elf tweets per dag. Aan één stuk door publiceert hij over, doe een greep, de noodzaak tot het betalen van „faire” tarieven voor jeugdzorg en de regelgekte in de geestelijke gezondheidszorg, en verwijst hij naar artikelen over, noem eens wat, kinderen met adhd of een blog van een moeder die hulp zoekt voor haar kind.

Van grote invloed

Zijn invloed doet zich gelden, zoals blijkt uit de behandeling deze maandag van het jeugddeel van de begrotingen van de ministeries van VWS en Justitie en Veiligheid. Een kwestie hoog op de agenda, naast de begroting zelf, is de zorg aan kinderen met ernstige psychiatrische problemen. De moeder van het suïcidale meisje Emma vertelde in juni dit jaar bij RTL Late Night over het gebrek aan passende hulp. Vermeiren zag het en dacht: er lopen in Nederland meer Emma’s rond, de discussie moet breder. Snel stuurde hij met zijn NVvP-afdelingsbestuur een verzoek rond aan collega-kinderpsychiaters of zij soortgelijke casussen konden melden. Binnen een mum van tijd kwamen er 31 verhalen de mailbox binnen. Hij stuurde ze naar Kamerleden, en via parlementariër Nine Kooiman (SP) werden de 31 casussen een belangrijk onderwerp in het spoeddebat na Emma.

Twitterend Nederland leerde Vermeiren en masse kennen in de aanloop naar 2015, toen de jeugdpsychiatrie zich heftig verzette tegen hun overheveling naar gemeenten, en tegen de ‘knip’ met de volwassenenpsychiatrie, die onder de zorgverzekeraars bleef vallen. Maar de psychiaters roerden zich te laat, ontbraken op cruciale momenten in inspraakcomités en Rutte II zette de overheveling door. Gevolg was dat Vermeiren in 2014 en 2015 twitterde zoals een kind brult als het niet wordt gehoord: vol overgave. „Heb je die Vermeiren weer”, zeiden Haagse gemeenteambtenaren in die tijd tegen elkaar. „Altijd maar zeggen wat hij niet wil, nooit wat hij wél wil.”

Vermeiren werd in Gent geboren in 1968, als zoon van een bankier. Hij was een sociaal en ondernemend kind. Hij verkocht Greenpeace-buttons, demonstreerde in Brussel tegen atoomwapens. Behalve met slechte ogen is hij van jongs af aan behept met een overmaat aan energie. „Ik heb geen adhd”, zegt hij zelf, „maar veel scheelt het niet”.

Hij besloot tegen het einde van de middelbare school dokter te worden: een sociaal beroep trok hem aan. Vermeiren was basisarts toen een bekende van de familie, de Vlaamse psychiater Theo Compernolle, hem een stage in Nederland aanbod, bij een kinderpsychiatrische kliniek in Alkmaar. Hij hield intakegesprekken met kinderen, woonde groepstherapiesessies bij. Het was 1993 en Vermeiren was verkocht. Dit was zijn vak.

Hij studeerde in Antwerpen kinder- en jeugdpsychiatrie en zijn loopbaan nam een vlucht. Hij belandde op voorspraak van een Amerikaanse psychiater een jaar op Yale, voor onderzoek, en nam zijn vrouw en jonge kinderen mee. Terug in Antwerpen promoveerde hij op het verband tussen jeugdcriminaliteit en psychische stoornissen van jongeren. Vervolgens werd hij opnieuw naar Nederland gehaald, dit keer door Theo Doreleijers, die als hoogleraar psychiatrie aan de Vrije Universiteit Amsterdam bezig was met precies dat onderwerp. Doreleijers, onder de indruk van Vermeiren – „in mijn ploeg was hij duidelijk de slimste van allemaal” –, sleepte in 2006 een bijzonder hoogleraarschap voor hem in de wacht. Dat werd een baan van één dag per week, want Leiden had hem inmiddels een echt hoogleraarschap aangeboden.

Dat was 2006. Elf jaar later telt zijn cv 25 pagina’s, met op het voorblad een inhoudsopgave.

Spelregels in het huwelijk

Zijn dagen in vogelvlucht: hij staat op om 6.15 uur, zet zijn iPad aan, begint het nieuws te lezen en staat – tot ’s avonds een Netflixserie of hardlooprondje lonkt – continu in de aan-stand. Hij mijdt het forensen per auto want hij háát files, om het tijdverlies en dat „stompzinnige getuur naar voor- en achterligger.” Wat je in die tijd allemaal niet kunt lezen! Vermeiren reist, kortom, per trein.

Ariane de Ranitz, zijn tweede vrouw, tevens psychiater, omschrijft het leven met haar man als „leuk, maar wat intensief”. Spelregel tussen de echtelieden (lees: haar eis) is dat hij pas een nieuwe nevenfunctie mag als hij een huidige opgeeft. Dus wordt hij pas nu, als afgetreden afdelingsvoorzitter van de NVvP, de nieuwe hoofdredacteur van verenigingsblad De Psychiater. Maar noem je hem ambitieus, dan mis je de clou, zegt De Ranitz. „Hij is gedreven. In ambitie schuilt een zekere berekening, een zekere eerzucht ook. Bij Robert gaat het anders. Hij is intrinsiek gemotiveerd. Als iets hem interesseert, dan stort hij zich erop.”

Zo ging het bij het maatschappelijk debat over verplichte anticonceptie voor kwetsbare, onmachtige mensen: wenselijk, ja of nee? Vermeiren las er een artikel over, maakte zich kwaad over de „simpele argumenten” van de voorstanders, blogde erover en, hop, belandde dit voorjaar als hoofdspreker op het podium van een goedbezocht congres over het onderwerp, waar hij met klem tegen zo’n plicht pleitte. Maar in welke hoedanigheid sprak hij daar eigenlijk? Als hoogleraar? Als directeur van Curium? Nee, zegt Vermeiren, geen van beide. „Het was meer privé.”

‘Twitterprofessor’

De drang zich te mengen in tal van debatten, op congressen, op Twitter, in media, heeft voor Curium twee kanten, zegt Esther Reinhard, die als directeur bedrijfsvoering met Vermeiren het bestuur vormt van de instelling. Hij zet Curium op de kaart, hij onderstreept het belang van kinderpsychiatrie in tijden van kaalslag, met zijn hoogleraarschap wordt het academische werk van Curium – onderzoek, opleidingen – benadrukt. „Dat zou zonder Robert veel minder bekend zijn.” Reinhard constateert ook dat Vermeirens „interesses en tijd regelmatig meer buiten Curium liggen dan erbinnen.”

Zijn interne bijnaam is ‘Twitterprofessor’, al benadrukken zijn collega’s dat het twitteren is afgenomen. Kritische tweets die Vermeiren als boegbeeld van de jeugdpsychiatrie de wereld in stuurde, zijn voor Reinhard soms vervelend. In haar onderhandelingen met gemeenten over tarieven zijn goede verhoudingen belangrijk, en „kritische tweets van Robert worden doorgaans gelezen als ‘afkomstig van Curium’”, zegt zij. Ambtenaren hebben haar meermaals op Vermeirens tweets aangesproken. Reinhard overlegt daarom geregeld met hem over de manier van naar buiten treden.

Zulk overleg lijkt nu minder vaak nodig, want Vermeiren is minder activistisch dan kort na de decentralisatie van de jeugdzorg, zeggen betrokkenen. Hij is nog steeds „principieel tegen de knip” tussen jeugd- en volwassenpsychiatrie, maar ziet het feit van de overheveling als voldongen. Sterker, zegt hij zelf, hij ziet voordelen van het nieuwe systeem: daar waar zorgverzekeraars elkaar beconcurreerden, kunnen gemeenten met elkaar samenwerken en zo jeugdbeleid smeden voor een hele regio. „Maar dat moeten ze wel meer gaan doen”, zegt hij. „Nu werken gemeenten te versnipperd. Kinderen en gezinnen moeten weten waar ze aan toe zijn. Ze verdienen de beste zorg.”