Recensie

Anton Kosters frisse blik op de bollenstreek

Tentoonstelling Schilder Anton L. Koster maakte van de jaarlijkse bloemenzeëen in de bollenvelden rond Haarlem zijn specialiteit. Dankzij een boek en tentoonstelling in Lisse staat Koster voortaan op de kaart.

Anton Koster, Tussen de bomen. Olieverf op doek, 40 x 60 cm. Particuliere collectie Foto Museum De Zwarte Tulp

Soms kun je in een klein museum een grote ontdekking doen. Dat is nu aan de hand in Museum De Zwarte Tulp in Lisse, waar een tentoonstelling is gewijd aan de ‘bollenveldenschilder’ Anton L. Koster (1859-1937). In twee zalen zijn 52 schilderijen, tekeningen en etsen van hem bijeengebracht uit onder andere de depots van het Rijksmuseum, Teylers Museum en het Haags Gemeentemuseum. Nog veel meer is er te zien en te lezen in een grondig en verzorgd boek over de schilder, geschreven door Floor de Graaf. Voortaan staat Koster op de kaart.

Eind jaren zeventig van de negentiende eeuw zat hij op de kunstacademie in Den Haag, waar Breitner, Verster en Isaac Israëls studiegenoten waren. Na zijn huwelijk in 1890 verhuisde hij naar Haarlem. Rondom die stad stonden ieder voorjaar de bollenvelden in bloei. Er waren ook andere, meestal buitenlandse kunstenaars die dat motief wel eens schilderden, maar Koster maakte er zijn specialiteit van.

De jaarlijkse bloemenzeëen dwongen hem om in het grijsgroene Hollandse polderland ineens uitgesproken kleuren te gebruiken. Koster slaagde erin tegelijk het surreële effect van die felle kleuren weer te geven en ze tot een aannemelijk onderdeel van een samenhangende compositie te maken.

Horizontale ruimte

In de loop der jaren raakte hij volkomen vertrouwd met de bolgewassen. Hij kende de individuele soorten (zoals blijkt uit studieuze pentekeningen van afzonderlijke tulpen en hyacinten, lichte bloemen tegen een zwarte achtergrond), maar ook hun gedrag in de kudde: dat ze aan het einde van een rij uit de groep willen breken, bijvoorbeeld, naar het licht en de ruimte van een paadje toe.

Na de eerste meters worden de bloemen samengevat tot grote vormen, die Koster goed plat in het land wist te leggen. Hij wist uitgestrektheid te suggereren. Verte. Een warme atmosfeer, heiigheid aan de horizon. En die horizontale ruimte doorkruiste hij dan weer met scherpe verticalen: stokken, geknotte beukenhagen, landarbeiders. Boerenhoeves staan als coulissen achter een bollenveld, kale bomen staan er als tralies voor. Koster werkte vaak met tegenlicht, waardoor de kleuren in de felle zon des te stralender tussen die donkere vormen kwamen te liggen.

„Men moet even een klein vooroordeel onderdrukken”, schreef een recensent al in 1959 over Kosters werk. Bij bloeiende bollenvelden denken we tegenwoordig aan ansichtkaarten en kalenders, aan drommen toeristen in de Keukenhof. Maar Koster kon zich er honderd jaar geleden nog onbevangen en vol overgave op storten. Als je ziet wat hij ervan maakte, wekt het geen verbazing te lezen dat hij een keer in een hyacintenveld zat te schilderen en flauwviel door de zware bloemenlucht. Zijn schilderijen zijn haast net zo bedwelmend.