Recensie

De onderkruiper mag gezien worden

Tentoonstelling

De vergeten zeventiende-eeuwse schilder Otto Marseus van Schrieck bracht de flora en fauna op de bodem van het bos in beeld. Zijn werk is nu te zien in Rijksmuseum Twenthe.

Toen de Florentijnse prins Cosimo de Medici in 1667 enkele maanden in Amsterdam verbleef, bezocht hij de ateliers van maar liefst vijftien kunstenaars. Een van hen was Rembrandt. Een ander heette Otto Marseus van Schrieck. Wie? Otto Marseus van Schrieck. Hoewel hij het in bekendheid later heeft moeten afleggen tegen zijn befaamde tijdgenoot, was het toch Marseus van wie de prins ter plekke drie schilderijen kocht. En hij telde er ook nog de vorstelijke som van vijfhonderd gulden voor neer. Bij Rembrandt verwierf hij niets dan de belofte ooit een zelfportret van hem te ontvangen.

De anekdote zegt iets over de onverwachte populariteit die Marseus in zijn tijd genoot, en misschien ook over de belangstelling van de Italiaanse prins. Aan het hof van diens familie in Florence bestond namelijk al sinds het midden van de zeventiende eeuw een grote interesse voor de mogelijk geneeskrachtige werking van slangen en paddestoelen. Die soorten van letterlijk laag-bij-de-grondse flora en fauna vormen nu juist belangrijke motieven van Marseus’ schilderijen, waarvan een prachtige selectie nu is te zien in Rijksmuseum Twenthe.

De in Nijmegen geboren Otto Marseus van Schrieck (ca. 1620-1678) specialiseerde zich in het genre van het zogenaamde sottobosco, letterlijk ‘onder het bos’. Zijn doorgaans vrij kleine landschapsschilderingen wekken inderdaad de indruk te zijn geobserveerd vanaf de bodem, in het halfduister waar zich insecten en reptielen ophouden en waar zwammen, schimmel en onkruid gedijen. Waarschijnlijk heeft hij het genre zelf uitgevonden, tijdens een verblijf in Italië in de jaren omstreeks 1650. Zijn Nederlandse schildersvrienden in Rome gaven Marseus de toepasselijke bijnaam ‘Snuffelaer’.

Glinsterende huid van slangen

Gesnuffeld heeft Marseus, zo blijkt uit de ruim twintig schilderijen van zijn hand. Anders dan men misschien zou vermoeden is uitbeelding van de schemerige wereld onder de bomen en struiken verre van grauw of saai: juist daar lichten vleugels op van vlinders en libellen, gloeien de bloemen van de blauwe winde, en glinstert de vochtige en vaak schitterend getekende huid van slangen.

Anders dan tijdgenoten als Jacob Hoefnagel en Jan van Kessel, die nauwkeurige tekeningen maakten van afzonderlijke insecten en reptielen, maakte Marseus er vaak een spektakel van. De dieren, waarvan hij er zelf ook vele in zijn tuin en schuur hield, bestudeerde hij nauwgezet. Maar onderhoudende scènes als die van een slang of een pad die een vlinder naar het leven staat, komen in de natuur niet voor.

Marseus’ themakeuze hangt samen met nieuwe wetenschappelijk ideeën. Volgende de traditionele overtuiging ontstonden ogenschijnlijk onaanzienlijke diertjes spontaan, uit bijvoorbeeld rottingsprocessen. Een onderzoeker als Johannes Swammerdam, met wie Marseus heeft samengewerkt, ontdekte dat die soorten een voortplanting en levenscyclus hebben als ieder ander dier. Zo bleek de vlinder het resultaat van een gedaanteverwisseling – niet een nieuw dier dat is voortgekomen uit de overblijfselen van een dode rups. Daarmee was wetenschappelijk bewijs gevonden voor de gedachte dat alles wat over de bodem kruipt ook deel uitmaakt van de schepping en als zodanig een beeld vormt van de almacht Gods. En het waard is om te worden geschilderd.

    • Bram de Klerck