Snelle flits

Meteen een vraag. Het is de bedoeling dat je binnen een halve minuut antwoord geeft. Een tafeltennisbatje en een balletje kosten samen 1,10 euro. Het batje is 1 euro duurder dan het balletje. Wat kost het balletje?

Wat zei je? 10 cent? Dat antwoord geven slimme studenten aan de universiteit het vaakst. Maar: het klopt niet. Want stel: het balletje is 0,10 euro. Dan is het batje 1,10 (1 euro duurder) en zijn ze samen dus niet 1,10, maar 1,20.

Maar ja, wie snel moet denken, gaat af op wat in een flits logisch klinkt. Al zijn er natuurlijk ook Pietjes-precies. Die noemen het batje ‘A’ en het balletje ‘B’ en schrijven dan formules op. Zoals (A+B)=1,10 en (A-B)=1,0 en dus 2B=0,10 en B=5 cent. Met die formules kunnen ze daarna ook uitrekenen wat een balletje kost als bat-en-bal 10,40 kosten en een batje 8 euro.

En dan zijn er nog mensen die het probleem in kaart brengen. Zij zeggen: als je één euro weghaalt, blijft er tien cent over. Die moet je verdelen over twee dingen – balletje en batje – en dus is het balletje 5 cent.

En eigenlijk past natuurlijk soms de ene tactiek beter (snel en niet zo precies) en soms de andere (als precies zijn iets oplevert). En soms wissel je als vanzelf. Als het snelle-flits-antwoord niet logisch lijkt, bijvoorbeeld. Zoals hier: een Maserati en een Opel kosten samen 180.000 euro. De Maserati is 100.000 euro duurder dan de Opel. Wat kost de Opel? Of: een H&M-trui en een Dior-jurkje kosten samen 2.220 euro. De jurk is 2.100 euro duurder dan de trui. Wat kost de trui?

Nu zie jij waarschijnlijk ook meteen: het snelle-flits-antwoord kan niet kloppen