Opinie

Moord op onderdaan liet Nederland koud

Na de staatsgreep in Suriname, door Desi Bouterse in 1980, speelde Nederland een bedenkelijke rol. Laten we van die fouten leren, meent .

Fred Ormskerk (tweede van links) met een eenheid van de TRIS (Troepenmacht in Suriname) in 1971 op vaarpatrouille op de Commewijnerivier Foto Ger Loeffen/collectie Rudie Kagie

Op 8 december is het vijfendertig jaar geleden dat vijftien prominente Surinamers door het militaire regime in Suriname werden vermoord. Nieuwe feiten werpen een ander licht op de periode die aan deze zogenoemde Decembermoorden voorafging. In de periode die aan de moordpartij voorafging, speelt de Nederlandse overheid een bedenkelijke rol.

Twee jaar eerder was de staatsgreep, uitgevoerd door onder andere de huidige president van Suriname Desi Bouterse, met geestdrift begroet – ook in Nederland. En dat is dubieus, want het eerste bloed vloeide in het voorjaar van 1980 toen Fred Ormskerk (1923), een Surinaamse oud-adjudant met een Nederlands paspoort, werd doodgeknuppeld. Ormskerk was een beetje zonderlinge man, militair in hart en nieren, een ijzervreter die nog als paracommando bij het KNIL in Nederlands-Indië had gevochten.

In zijn nieuwe woonplaats Ermelo miste hij de tropenzon, de palmentuin, de kazerne en het rijstbier. Toen hij eind april opdook in Paramaribo, deed hij schimmig over de bedoeling van zijn bezoek. Die geheimzinnigheid brak hem lelijk op, want de nieuwe machthebbers verdachten Ormskerk van het beramen van een contra-coup en probeerden een bekentenis uit hem te rammen. Ormskerk bezweek in de vroege ochtend van vrijdag 2 mei 1980 aan zijn ‘verhoor’.

De volgende dag werd hij haastig begraven op de rooms-katholieke begraafplaats aan de Tourtonnelaan in Paramaribo. De teraardebestelling was een besloten plechtigheid, in bijzijn van een priester, acht militairen en een lid van de Militaire Missie van de Nederlandse Ambassade.

Ik werkte in die tijd als correspondent voor NRC Handelsblad in Paramaribo, een kortstondig avontuur waar abrupt een einde aan kwam toen een militaire jeep me in het holst van de nacht ophaalde om óók in de Memre Buku-kazerne te worden verhoord. Bij geruchte had ik vernomen over de dood van Ormskerk en daar had ik navraag naar gedaan. Mijn ondervragers wilden weten van wie ik de informatie had. Ze verboden me over de affaire te publiceren. Ze brulden dat er weinig voor nodig was om me een kopje kleiner te maken.

De Nederlandse laksheid kwam tegemoet aan de wens van de Verenigde Staten

Zondagavond 4 mei begeleidde een Nederlandse diplomaat me naar het vliegveld; volgens hem liep ik gevaar als ik langer in het land bleef. In Nederland had intussen NRC-collega Frans van Klaveren het telefoonnummer van de familie Ormskerk in Ermelo opgespoord. De familie bleek van niets te weten. Buitenlandse Zaken had de nabestaanden niet ingelicht.

Twee weken na de dood van Ormskerk belegde de Nationale Militaire Raad een persconferentie, indachtig het revolutionaire motto: waarheid is datgene wat de vooruitgang dient. Ormskerk zou aan het hoofd hebben gestaan van een huurlingenleger van 250 man, dat popelde om vanuit Frans-Guyana het land binnen te vallen. Tijdens een vermeende schermutseling met waakzame militairen zou hij zijn gesneuveld.

Om de pers ervan te overtuigen dat er inderdaad sprake was van een couppoging, werd de Nederlander Joop Krol (36) binnengeleid, een magere man met een schichtige oogopslag, in gevangenistenue en met handboeien om. Krol verklaarde dat hij huurling van beroep was en dat hij bij het Vreemdelingenlegioen had gevochten. Hij omschreef zichzelf als „secondant van Ormskerk”.

Krol kon het niet helpen dat hij stond te liegen alsof hij zelf in de verzinsels geloofde. In werkelijkheid was hij wegens tbc afgekeurd voor militaire dienst. Brieven waaruit blijkt welke lijdensweg Krol voorafgaand aan zijn publieke bekentenis onderging, zijn sinds kort in mijn bezit. Hij werd gruwelijk gemarteld en gecastreerd, lag drie dagen naakt in zijn cel, zonder eten of drinken – en daarna konden de militairen hem alle onzin laten uitkramen die ze nodig hadden om hun propaganda te onderbouwen. In december 1981 werd Krol vrijgelaten en vestigde zich in Breda waar hij later zelfmoord pleegde.

Nederland reageerde afwezig, beter gezegd: in het geheel niet op het treurige lot van beide onderdanen. Alles wijst erop dat het de bedoeling was om Ormskerk op mysterieuze wijze te laten verdwijnen. Nooit meer iets van gehoord, opgelost in het luchtledige, zo deden ze dat in Argentinië in die tijd ook.

De vraag waarom het eerste kabinet Van Agt bereid was om dit sinistere spel van de Surinaamse junta mee te spelen, wordt beantwoord in de inmiddels vrijgegeven notulen van de ministerraad van vrijdag 9 mei 1980. Minister Van der Klaauw van Buitenlandse Zaken legde zijn collega’s uit dat het onverstandig zou zijn om het regime in Suriname te dwarsbomen. „Amerika wil graag dat Nederland contact met de Surinaamse regering blijft onderhouden”, zei hij. „De Amerikanen maken zich er zorgen over dat Cuba een voet tussen de deur probeert te krijgen in Suriname.”

En zo zakte de affaire Ormskerk naar de bodem van de doofpot, achteraf het domste wat Nederland kon laten gebeuren. Opheldering vragen over de moord op Ormskerk, aandringen op vervolging en berechting van de daders, kosten vergoeden voor de nabestaanden – het werd allemaal achterwege gelaten. De laksheid kwam tegemoet aan de wens van de Verenigde Staten, maar bewees de democratische tegenbeweging in Suriname een slechte dienst.

We weten waar deze lankmoedige houding ten opzichte van Bouterse en de zijnen op uitdraaide. De Surinaamse junta trad steeds gewelddadiger op, met als dieptepunt de moord op vijftien vooraanstaande landgenoten in 1982. De zwartste bladzijden uit de geschiedenis zijn vaak de leerzaamste.