Opinie

De mannelijke mythe: ik word hard dus ik ben

Mannen hebben last van de mythe van mannelijkheid die ze zelf in stand houden, schrijft .

Wie zegt dat mannen viriel moeten zijn?

Illustratie Tara Moore/ Getty

Wees een vent. Wat betekent dat eigenlijk? En is er een verband met toxic masculinity? Die term, ‘giftige mannelijkheid’, werd al langer gebruikt, maar ligt sinds #MeToo alom op de tongen. „Toxic masculinity is everywhere, it is up to us men to fix it”, schreef hiphopper Jordan Stephens in The Guardian.

Maar ik las ook een column van een dame die zei dat mannelijkheid tout court het probleem was. En van zulke geluiden krijgen sommige mannen dan weer het gevoel dat ze geen ‘man’ meer mogen zijn.

Hoe zit het nu, moeten mannen stoppen met man-zijn? Kunnen ze iets fixen dat aangeboren is? Of is ‘mannelijkheid’ iets cultureels dat ze kunnen afschudden? Volgens Stephens is een groot deel van het probleem dat mannen zichzelf en elkaar altijd in die dominante, sterke jager-rol duwen. „This idea that male vulnerability is undesirable – it covers up the pain of so many troubled boys who wanted more hugs from their mum or have missed the company of their dad.”

Mannelijkheid is een mythe, een model dat altijd al in crisis is geweest, zegt Olivia Gazalé, auteur van Le mythe de la virilité: un piège pour les deux sexes (De mythe van viriliteit, een valkuil voor beide seksen) dat deze herfst verscheen. „Het is niet mijn bedoeling viriliteit de nek om te draaien, en al helemaal niet om mannen de nek om te draaien”, zei Gazalé op de Franse radio. „Ik wil mannen juist verdedigen, en wel tegen zichzelf. Ze zijn onderdrukte onderdrukkers.”

Viriliteit, vindt Gazalé, is een culturele constructie waarbij de vir (Latijn voor man), dus de viriele man, wordt beschouwd als het beste van de menselijke soort. Gazalé: „Dat heeft bijgedragen tot het minderwaardig maken van vrouwen, maar ook tot het onderdrukken van mannen die niet aan dit ideaal konden voldoen. Mannen die niet groot en gespierd genoeg zijn, onvoldoende lust tot veroveren aan de dag leggen, die niet genoeg ‘man’ zijn volgens de gangbare norm van viriliteit.”

Het meest zichtbaar is de lichamelijke norm: in films is de good guy een atletisch gebouwde man, terwijl de bad guy smalle schouders heeft, te klein of te groot is, of extreem dik of dun. Misschien zelfs in een rolstoel zit of een ander lichamelijk gebrek vertoont, terwijl James Bond precies aan het mannelijke schoonheidsideaal voldoet.

Maar viriliteit is niet alleen fysiek – het heeft te maken met moed, eer, en verlangen naar verovering, roem en opoffering; met een idee van onoverwinnelijkheid. Aan dat ideaal van viriliteit hebben we volgens Gazalé te danken dat mannen nog steeds niet geacht worden hun emoties te tonen – al helemaal niet wanneer ze lijden.

Mannen als Jordan Stephens proberen dat taboe nu te doorbreken: „It’s okay to feel sad. It’s okay to cry.”

On ne naît pas femme, on le devient”, schreef Simone de Beauvoir. Hetzelfde geldt voor mannen, denkt Gazalé: man, in culturele zin, word je pas gedurende je leven, door alles wat je ingeprent krijgt.

Gazalé constateert twee kampen. Aan de ene kant staat het feminisme dat, in haar woorden, „vrouwen verdedigt tegen mannelijke dominantie”. Aan de andere kant staat de nieuwe beweging van ‘masculinisme’ die zich, vooral in de VS, verzet tegen een dreigende „tirannie” van de moderne vrouw. In dit debat wil Gazalé een originele positie innemen: het onbehagen van de man komt niet door de opmars van de vrouw, maar door een mythe van mannelijkheid die mannen zelf reproduceren.

De mythe van viriliteit is nog steeds springlevend, meent Gazalé, en doet volgens de filosofe meer kwaad dan goed. Mannen denken dat ze iets moeten, ook om bij vrouwen in de smaak te vallen, terwijl vrouwen dat helemaal niet nodig vinden: zo lijken sommige mannen te denken dat vrouwen overmand willen worden, en dan bij voorkeur door een man die Latijn spreekt.

In de Oudheid werd de minnaar soms vergeleken met een soldaat en zijn geslacht met een gladius, een zwaard. Ovidius beschrijft in zijn Amores hartverscheurend hoe een man zonder erectie op een vrouw ligt, iets waarvoor deze zich diep schaamt. „De schaamte”, zegt deze Romein die hem niet omhoog krijgt, „is de tweede oorzaak van mijn impotentie”.

Die vicieuze cirkel bestaat nog steeds, zo blijkt uit de documentaire Die Viagra-Tagebücher uit 2016: dat mannen erectieproblemen hebben uit angst voor die problemen. Veel jonge mannen slikken Viagra om deze reden, ‘preventief’, om er zeker van te zijn in bed te kunnen ‘presteren’ en aan het viriele ideaal van onfeilbaarheid, potentie en ontembare seksuele drift te kunnen voldoen.

Viagra en aanverwante pillen zijn het meest lucratieve ‘geneesmiddel’ van de farmaceutische industrie – er wordt jaarlijks zo’n tien miljard dollar mee verdiend. „Mannen denken dat vrouwen van hen een gigantische prestatie verwachten,” zei regisseur Chiara Sambuchi toen ik haar interviewde over Die Viagra-Tagebücher, „terwijl voor vrouwen intimiteit, aandacht en communicatie vaak veel belangrijker zijn dan een harde lul”.

Volgens Gazalé ligt dit probleem dieper dan de seksualiteit – in onze cultuur hebben we de fallus tot symbool van mannelijke superioriteit, macht en kracht gemaakt. Een falende fallus is dus het ergste wat een man kan overkomen: hij is impotent, machteloos, nutteloos. Deze obsessie met de erectie noemt Gazalé, verwijzend naar Descartes, „je bande donc je suis” (ik word hard, dus ik ben).

Ze vertelt over zestiende-eeuwse impotentierechtbanken: voortplanting was zo belangrijk voor de katholieke kerk dat het huwelijk geconsummeerd moest worden, anders kon het worden ontbonden. Daarbij vond men dat een man een vrouw, mits zij zijn vrouw was, in haar eer aantastte als hij niet met haar naar bed ging.

Bij de oude Grieken was het weer anders. Daar werd het beste van het leven op aarde, inclusief seks, onder mannen onderling beleefd. Vrouwen waren goed voor voortplanting, maar de echte waardevolle relaties waren tussen mannen: vriendschap, liefde, kennisoverdracht, bewondering, trouw. Heel anders dan in de christelijke cultuur, waarin het huwelijk tussen man en vrouw heilig is, of de hoofse liefde in de Middeleeuwen, waarbij een ridder zijn hommages brengt aan een schone jonkvrouw.

Dit alles illustreert de gedachte dat mannelijkheid per cultuur verschilt en dus geen natuurlijk gegeven is.

De Franse filosofe Elisabeth Badinter schreef al eerder een boek in deze trant: X et Y, l’identité masculine (1992), over de noodzaak om na te denken over de emancipatie van de man. Want, schreef zij, vrouwelijkheid was lange tijd het onontdekte continent van de mensheid, terwijl mannelijkheid vanzelf leek te gaan. Mannelijkheid leek natuurlijk, probleemloos en het tegendeel van vrouwelijkheid.

Nog steeds wordt geroepen dat man-zijn een natuurlijk gegeven is, dat te maken heeft met chromosomen, testosteronspiegel en een natuurlijke rol als jager. Badinter merkt fijntjes op dat we niettemin mannelijkheid normatief en gebiedend gebruiken: „Wees een man, wees een vent!” Hoezo zou zo’n vermaning nodig zijn, als een man al man is omdat hij zo geboren is?

In X et Y schrijft Elisabeth Badinter dat er in onze cultuur grofweg twee mantypes bestaan, de ‘harde man’ en de ‘zachte man’. Zij wil die twee bij elkaar brengen. Daarbij stelt ze dat vrouwen, door in de twintigste eeuw mannenrollen aan te nemen, eigenlijk onbedoeld het ideaal van viriliteit en mannelijke superioriteit (sterker, rationeler, verantwoordelijker) in stand hebben gehouden. Door te streven naar macht status en geld, zouden zij dezelfde doelen hebben omarmd en verheerlijkt, ten koste van echte emancipatie. Of zoals een Franse vrouw eens tegen mij zei: „Feminisme moet niet betekenen dat we net zo con (dwaas, idioot, irritant) worden als mannen.”

Badinter ziet verschillende historische crises in mannelijkheid. Een daarvan vond plaats in de eerste helft van de twintigste eeuw en is volgens haar gelieerd aan de opkomst van het fascisme in die periode: de manier waarop veel mannen zich onderdrukt voelden, waarop hun arbeid gereduceerd werd tot infantiel werk in fabrieken na de industrialisering, zou deels de opkomst van het fascisme verklaren. Dat droeg een ouderwets ideaal van mannelijkheid en lichaamscultuur uit. Het is geen toeval dat de Boy Scouts of America rond deze tijd werd opgericht, in 1910, om jongens te leren hoe met een mes in de natuur te overleven – een beetje zoals de SIRE-campagne die we dit jaar voorbij zagen komen.

Badinter wil in haar boek voorbij dit hardnekkige, eenduidige type mannelijkheid kijken, om juist „een meervoudigheid van mannelijkheden” te zien.

Op het Forum Romanum mocht niet geniest en gegaapt worden – een man werd geacht zich te kunnen beheersen. Dit is een verschil met hoe gedacht werd over vrouwen, ook in volgende eeuwen: zij is degene die last heeft van haar ongesteldheid, huilbuien, mood swings en hysterie.

De man houdt koers, is meester van zichzelf en anderen. Vandaar ook dat alle vormen van kunnen en kunsten aan mannen werden voorbehouden, want beheersing en meesterschap werden als typisch mannelijke kwaliteiten gezien.

Mannen van nu, schrijft Gazalé, blijven zich gedragen als de Romeinen op het Forum: demonstratie van fallische potentie van mannelijke kracht, minachting van alles wat riekt naar ‘verwijfdheid’. Daarmee is de man in zijn eigen zwaard gevallen.

Dankzij feministen als Simone de Beauvoir en Elisabeth Badinter zijn vrouwelijke stereotiepen op de schop gegaan, maar bij mannen is dit nauwelijks gebeurd. De vrouw is in die zin vrijer, bevrijder dan de man, zegt Gazalé. Vrouwen zijn al eeuwen bezig met het herdefiniëren van vrouwelijkheid, terwijl de man veel langzamer emancipeert.

Het is tijd voor de emancipatie van de man. Dit betekent niet dat mannen allemaal verplicht aan de yogi thee moeten. Het gaat juist om het afwerpen van een harnas en dan zelf mogen bepalen wat voor man je wilt zijn. En dat kan net als bij de emancipatie van de vrouw een moeizaam proces zijn.

Eerlijk gezegd ben ik zelf ook gehecht aan bepaalde patronen: de deur openhouden voor een vrouw, de rekening betalen. Ik dans Argentijnse tango. Maar wat je in de tango tegenwoordig ziet gebeuren, is dat mannen en vrouwen de rollen omdraaien. Waarom niet? Daar worden we allemaal betere dansers van.

Voor zover ‘moed’ iets mannelijks is, laten we dan ook de ‘moed’ hebben om patronen te doorbreken, niet bang zijn om ballast overboord te gooien.

In die visie op emancipatie voeren mannen geen strijd tegen vrouwen, maar met zichzelf en tegen stereotiepen. En kunnen vrouwen ervoor kiezen om mannen niet te zien als onderdrukkers maar vooral als bondgenoten in die emancipatiestrijd.

It’s okay to cry. De ware strijd is niet tussen mannen en vrouwen maar tussen individuen en eeuwenoude mythes die op onze schouders drukken.