Een ‘echte’ rechter is ingewikkeld, duur of gewoon eng

Spreekuurrechter

Een rechtszaak is om allerlei redenen vaak een stap te ver voor burgers met een conflict. Daarom bestaat er nu, in Noord-Nederland, de spreekuurrechter: goedkoop, zonder advocaat – en aan het eind wacht (meestal) een schikking.

Illustratie Istock, bewerking Studio Nrc

Achttienhonderd euro, zullen we het zo maar doen? Rechter Titus Hoogslag kijkt van z’n scherm op naar de twee partijen aan de andere kant van de tafel. De ene partij had 2000 gezegd en de ander 1625. Er worden blikken gewisseld. In gedachten worden de knopen geteld.

De oudere meneer en zijn dochter zitten links. En de Nederlands-Marokkaanse autohandelaar en zijn traditioneel geklede vrouw zitten rechts. Zij spreekt vloeiend Nederlands, met licht Brabantse tongval, hij gebrekkig. Tussen hen in zit de mediator, die dan met de ene, dan met de andere partij fluistert. „Snap je wat de rechter zegt”, tegen de een. En „Kon je dat horen?” tegen de ander.

De mediator, uit de Randstad, heeft de zaak in Leeuwarden ingediend omdat ze, zegt ze, het ‘gezag van de toga’ nodig heeft om een vastgelopen bemiddeling vlot te trekken. Het gaat allemaal over een auto, die de oudere meneer nogal goedgelovig met papieren en al meegaf aan een uiterst onbetrouwbare kennis. Die verkocht ’m, waarna de autohandelaar van heling werd beschuldigd en aan de politie vingerafdrukken moest afstaan. Wat hem zo krenkte dat hij de oude eigenaar, die zich dan weer schaamde voor z’n domheid, niet tegemoet wil komen.

Rechter Hoogslag is een van de zeven spreekuurrechters, een experimentele vorm van laagdrempelige rechtspraak, die tot nu toe alleen door de rechtbank Noord-Nederland wordt aangeboden. Doel is gewone burgers tegen een bodemtarief van 49 euro per partij toegang te geven tot een informele rechterlijke procedure, in beginsel zonder advocaat, zonder dossier en zonder al te veel juridisch gedoe. Ter plaatse en onderling de kwestie ‘minnelijk’ oplossen is het idee. Als de rechter toch de knoop moet doorhakken en vonnis moet wijzen, is het eigenlijk mislukt. In de ruim vijftig zaken die de noordelijke spreekuurrechters tot nu toe behandelden, gebeurde dat in maar vier zaken.

Er vallen te veel mensen met conflicten tussen de wal en het schip, blijkt uit onderzoek. Ze kunnen zich schriftelijk slecht uitdrukken, snappen de juridische kaders en overheidsprocedures niet al te best en zien op tegen de kosten. Doorgaans kunnen ze wel hun woordje doen en hun eigen kwestie uitleggen. Maar daar kom je niet ver mee, in de rechtbank. Het civiele recht, zo luidt de analyse in Den Haag, is het contact met de samenleving aan het verliezen. Het is voor velen te duur, te ingewikkeld, te tijdrovend. Of, zoals Frits Bakker, voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, onlangs zei: gewoon ‘eng’.

De Kamer stemde vorig jaar al in met een motie van de ChristenUnie om de invoering van een ‘vrederechter’ te onderzoeken. Daarbij werd gedacht aan een kantonrechter die ‘de wijk in zou gaan’ om tegen lage kosten alledaagse geschillen op te lossen. De populariteit van de ‘rijdende rechters’ op tv wees de weg. Waarbij de ‘echte’ rechters in het noorden er steevast op wijzen dat de ‘tv-collega’ geen recht spreekt, maar aan ‘bindende arbitrage’ doet.

Deze pilot met de spreekuurrechter in Noord Nederland duurt tot mei. Of er een vervolg komt, is niet zeker – de juridische wereld is behoudend. De Orde van Advocaten in het noorden was aanvankelijk zo ongelukkig met deze kennelijk advocaatvrije vorm van rechtspraak dat er geen medewerking werd verleend. Rob Geene, advocaat in Assen en deken van de noordelijke Balie, noemt desgevraagd de spreekuurrechter nog steeds zuinigjes een „kwetsbaar en ingewikkeld concept”. De rechter gaat volgens hem „op drie stoelen tegelijk zitten”. Die van eiser, gedaagde en rechter. De advocatuur heeft twijfels zegt hij. „Krijgen alle partijen wel voldoende ruimte, zonder advocaat?” Hij is nog niet wezen kijken – en geen van de spreekuurbezoekers nam tot nu toe een advocaat mee. De pijn bij de Balie zit vooral in het kennelijke beeld dat advocaten de rechtsgang zouden verlammen of frustreren, waarvoor deze ‘bypass’ een oplossing zou zijn. Geene noemt het „heel verkeerde beeldvorming” die vooral niet moet worden vertaald in nieuwe procedures.

Toch is dat gebeurd. De Friese rechters zijn hoopvol gestemd. Door conflicten laagdrempelig op te lossen worden strafzaken, vechtscheidingen en huisuitzettingen voorkomen, vermoeden ze. Kleine handelsconflicten lijken voor de spreekuurrechter vaak plooibaarder. Bedrijven zouden makkelijker schikken, nu ze juist geen geld aan advocaten kwijt zijn. Uit het hele land komen burgers op de spreekuurrechter af, meestal via hun verzekeraar, het Juridisch Loket, of een mediator. Behalve burenruzies komen er ook huur-, arbeid-, ouderlijk gezag- en kleine handelszaken. Grootste verschil: de rechter heeft van tevoren geen dossier, of nauwelijks. De partijen moeten zelf uit kunnen leggen waar het over gaat, waarna de rechter live de juridische opties verkent die bij de feiten lijken te horen.

Polderopstelling

Rechter Joep de Lochte doet vanochtend in Assen zijn negende zaak als spreekuurrechter – en het is de zesde keer dat er een schikking zal worden bereikt. Dat hij drie keer eerder toch vonnis moest wijzen, zit hem niet lekker. Dat betrof dan wel drie keer dezelfde huisbaas die „echt niet wou”. Zijn zitting vanochtend is in de ‘mediationkamer’ waar rechter, griffier en partijen aan dezelfde ovalen tafel zitten, in polderopstelling. In dit type procedure „praat ik wat langer” zegt De Lochte. En hij stuurt ook „iets meer” naar een schikking. Maar het verschil met een gewone zaaksbehandeling vindt hij ook weer niet heel groot.

Met één uitzondering: er mogen van hem ook oplossingen worden afgesproken die praktisch zijn, terwijl het juridisch misschien net even anders ligt. Als partijen tevreden zijn met wat er uit het spreekuur komt, dan gaat De Lochte niet met de wet in de hand in de weg lopen. Als er advocaten zouden meedoen, komt een dialoog tussen partijen veel minder makkelijk op gang, meent hij. „Die neigen makkelijk naar rechtsfiguren en praten dan over een overeenkomst, ingebrekestelling, nakoming, opschorting en dergelijke”. Dat vermijdt de spreekuurrechter zoveel mogelijk. Die houdt het op ‘wat heeft u afgesproken’ en ‘wat wilt u dat er nu gebeurt’.

Een „afpellend gesprek” noemt hij het. De rechter moet wel blind vertrouwen op z’n vaardigheden en parate juridische kennis. Van de zaak van die ochtend wist De Lochte vooraf niet meer dan dat het om een ‘mandelige regenpijp’ zou gaan – een burengeschil over een gezamenlijke regenpijp, „ergens ver weg in Boek 5 Burgerlijk Wetboek. Je kan van tevoren dus niet nog even gaan studeren”. De rechter moet ook gedurende de zitting bedenken wat de beste oplossing zou zijn.

Eénmaal vroeg hij partijen om een kwartiertje te mogen schorsen „zodat ik er even over kon nadenken”. Dat ging om het gezag over de kinderen bij een gescheiden echtpaar van wie er één met de kinderen naar een andere plaats zou willen verhuizen. „Toen wilde ik even rust hebben .”

Wat is zijn rol in dit soort zaken? „Je moet de mensen laten weten waar ze staan, in het recht.”

Trekt de spreekuurrechter een nieuw soort zaken? De Lochte denkt van wel. De zaken die hij tot nu toe zag „komen hier anders niet. Of alleen in meer geëscaleerde vorm”.

Zijn de conflicten waar hij zich mee bezighoudt soms niet té klein en de rechter overgekwalificeerd? „ Ik vind dat burgers ook met kleine dingen bij de rechter terecht moeten kunnen. Als ze het gevoel hebben dat ze ergens genept zijn maar er helemaal niks tegen kunnen doen. Dat is pas slecht voor het vertrouwen in elkaar.”

Bovendien, weet hij, is in het gewone dagelijkse commerciële verkeer bekend dat de drempel naar de rechter te hoog is. „Op die ontoegankelijkheid wordt gespeeld, je schrikt er soms van. Dan weten handelaren of bedrijven vaak tevoren dat je écht niet naar de rechter zult gaan”. Dat gat kan de spreekuurrechter misschien ook helpen dichten.

Deur dicht

De zaak over de regenpijp blijkt ook over een lekkend dak en een lekkende muur te gaan. Deze buren hebben er al vaker onderling over gepraat – maar de deur is ook een keer dichtgegooid. Dat gebeurde toen de ene buurman bij de andere namens zijn rechtsbijstandsverzekeraar een officiële brief liet bezorgen, met een eis. Toen had de andere buurman er geen zin meer in, waarna de verwijten boven kwamen: dat buurman z’n dak destijds op een koopje had laten doen, door een beunhaas. Dat ‘ons dochtertje’ het risico loopt ’s nachts uit bed in een plas gelekt regenwater te stappen en uit te glijden. „Dan sta ik niet voor mezelf in,” zegt moeder.

Zij nam naar de zitting háár verzekeraar mee. Die legt vooraf op de gang uit dat haar firma bij voorkeur geen brieven stuurt in dit soort kwesties. „We bellen tegenwoordig altijd”. Brieven gooien vrijwel altijd olie op het vuur, als de mensen ze al open maken. Bombrieven worden ze genoemd. Een brief verhardt standpunten en bevriest contacten. Maar die hindernis wordt op de zitting genomen. „Ik wist niet dat het zo erg was” beaamt buurman 1 als buurman 2 een filmpje op zijn telefoon laat zien van het overslaande water. „Als dat bij mij zo was, zou ik ook uit m’n vel springen”.

Rechter Joep de Lochte („Ik zal zeggen hoe het juridisch zit”) vertelt dat ieder voor zijn eigen dak aansprakelijk is en dat ze dat gezamenlijk zijn voor de afvoer. De wederzijdse schade houden ze op voorstel van de rechter ieder voor eigen rekening. De reparaties zullen door één bedrijf worden uitgevoerd, wiens ‘aanwijzingen’ voor beide partijen bindend zullen zijn. Er wordt ter plekke een schikking getekend.

Rechter Titus Hoogslag stelt in de autozaak in Leeuwarden gelijksoortige, voor een rechter vrij ongebruikelijke vragen. „En wat heeft u nou voor oplossing in gedachten voor dit conflict?”. Of partijen maar eens hardop willen meedenken. En: „Denkt u dat u daar zelf nou verstandig in hebt gehandeld?” als duidelijk wordt dat de oudere meneer misschien toch wel erg lichtvaardig zijn autopapieren uit handen heeft gegeven. En „wat verwacht u zelf van de spreekuurrechter?”

Loswrikken

Zo gaat een week later, ’s middags in de rechtbank Assen, ook rechter Edzard van Weringh te werk. Lange tijd lijkt een oplossing uit te blijven. De rechter praat als Brugman, hij maant, doceert, spreekt af en toe tegen, werpt zichzelf in de strijd („als het mijn dak was...”) en is af en toe net zo bot als de twee mannen voor hem. „Wie is hier de aannemer dan?”, zo sluit hij een kort college opdrachtovereenkomsten af. De partijen kunnen zijn licht dwingende toon hebben, mogelijk omdat de rechter een stevig Gronings accent benut. En de koppigheid van partijen weer sterk aan Bartjes ‘ik bid niet veur brune bonen’ doet denken, de rechter lijkt ze ternauwernood los te kunnen wrikken.

Het gaat om een kwestie rond aangenomen werk: dakherstel, nieuwe pannen, zonnepanelen, schilderwerk. Met als complicatie dat de opdrachtgever had toegezegd flink mee te zullen helpen, wat hij tot ergernis van de aannemer onvoldoende zou hebben gedaan. En het wil er bij de aannemer niet goed in dat hij na een akkoord op een offerte daarmee dus niet z’n klant in dienst heeft genomen. Er zijn ook emoties in het spel. Er is geschreeuwd in de straat, gescholden, er is „rondgecommandeerd”, er zijn „geen kansen gegeven”, er is „een spelletje gespeeld”. „Die mensen” zaten „de hele tijd achter de ramen te kijken” of er wel gewerkt werd. Daarna zijn er steigers haastig afgebroken en meegenomen, er is een sleutel „ontvreemd”. „Mijn pannen zijn weggehaald”, er is „dan donder je maar op” geroepen. Het bouwafval ligt er nog, de schade van een omgevallen verfbus is niet hersteld. Naarmate de zitting langer duurt, wordt de keten van verwijten ook langer. „Er is alleen nog maar wantrouwen” – het is het enige waar de partijen het over eens zijn.

In het midden zit een jonge man in strak gesneden kantoorpak, van de rechtsbijstandsverzekeraar. Hij wil de zaak geregeld hebben. Af en toe sust hij zijn klant, als die weer eens „tistochniettegeloven” sist, nadat de aannemer hem van een „keiharde leugen” betichtte. Toch blijkt hij de sleutel. Rechter Van Weringh legt vergeefs uit dat de aannemer niks kan opeisen als het werk nog niet af is. En de aannemer zegt dat hij er de brui aan gaf, en daarmee basta. In praten met z’n klant heeft hij al helemaal geen zin. Misschien wel met de meneer van de verzekering, suggereert de spreekuurrechter. Nou, oké dan. Je kan niet alles weigeren.

Het gezelschap vertrekt naar de gang en blijft zeker twintig minuten weg. Dan gaat het, terug op de zitting, heel snel. De verzekeraar vertelt dat er „namens de klant” een bedrag op tafel komt waar de aannemer mee akkoord is, ongeveer tweederde van wat hij vorderde. De aannemer schiet er 700 euro bij in, maar neemt z’n verlies. De verzekeraar heeft een deel van de vergoeding die de klant betaalt overgenomen, deels uit coulance, maar ook om een vervolgprocedure te voorkomen. De rechter dicteert de schikkingsovereenkomst aan de griffier en legt terzijde uit wat ‘finale kwijting’ betekent. Dat het hiermee afgelopen is, over en weer, met claimen. Er wordt geknikt, getekend en daarna wordt er opgelucht maar zwijgend vertrokken.

Ook bij rechter Titus Hoogslag in Leeuwarden lukte een schikkingsafspraak, zij het ook maar net. De één vindt 1.800 euro eigenlijk te veel en de ander eigenlijk te weinig. Maar je kunt niet aan de gang blijven – en dus dicteert ook rechter Hoogslag een overeenkomst aan de griffier, die daarna wordt getekend. De spanning is van de gezichten, de opluchting tastbaar. Bij het verlaten van de zaal is de stemming vriendelijk. Na u. Nee, na u. Gaat u voor. Het feestlawaai van de kermis op de Grote Markt waait de rechtbank binnen.

Correctie (4 december 2017): In een eerdere versie van dit stuk stond „rechter Titus Hoogland”. Dat moet „rechter Titus Hoogslag” zijn. Hierboven is dat aangepast.

    • Folkert Jensma