Opinie

Zwart-witdenken? Meneer Vuijsje heeft geen idee

Socioloog Herman Vuijsje mag dan studie hebben gedaan naar racisme, maar in zijn betoog laat hij zich volgens – moeder van een gekleurd gezin – betrappen op gebrek aan ervaring.

Sinterklaas stuit op protest bij het Rijksmuseum. Foto Robin van Lonkhuijsen / ANP

Op zaterdag 25 november beschreef Vuijsje ‘10 dogma’s van zwart-witdenkers’ in de opiniebijlage van NRC. Hij maakt er al studie van sinds de jaren tachtig en weet precies aan te wijzen waarin mensen die tegen racisme ageren doorschieten. Toch bleef ik met het gevoel zitten dat hij schrijft over dingen waar hij geen enkele ervaring mee heeft. Mijn gezin wel, helaas.

Mijn man, een metaalbewerker, komt uit Soedan. Onze zoon is 18, geboren in Amsterdam. Hij volgt de mbo-opleiding Sport en Recreatie. Ikzelf ben van Friese afkomst. We wonen sinds tien jaar in een oude, Haagse volkswijk. Als inburgeringsplichtige wordt mijn man voortdurend opgejaagd. Enige tijd geleden kreeg hij een bestuurlijke boete van 1.200 euro omdat hij zijn examen niet op tijd had gehaald. Gevolg: een zenuwslopend geschil met DUO en een gang naar de rechter.

Wat de Nederlandse overheid betreft, is mijn man overigens wel wat gewend. Hij bracht zes maanden door in vreemdelingendetentie in Schiphol-Oost en Zeist. Zijn celgenoot, een jongen die net 18 was geworden en daarom zijn AMA-status verloor, vertelde dat hij op zijn verjaardag door agenten was opgehaald – pleegouders en vrienden achterlatend. Mijn man probeerde hem te troosten, maar de jongen bleef maar huilen, wekenlang. Andere medegevangenen gedroegen zich juist opstandig en kregen gedwongen medicatie toegediend, waarna ze als zombies rondliepen.

Mijn zoon, een jongen van kleur zoals dat heet, wordt om de haverklap staande gehouden en beboet voor kleine verkeersovertredingen. Maken andere (lees: witte) jongeren dat ook zo vaak mee? Ik dien tegenwoordig altijd een bezwaarschrift in. Afgelopen weekend werd mijn zoon weer staande gehouden, omdat een groepje jongeren rotjes had afgestoken. Hoewel hij zelf niets had afgestoken, liet hij zich zonder morren fouilleren. Plots gaf een agent hem een klap op zijn achterhoofd. Daartegen protesteerde mijn zoon wel en direct werd zijn arm op de rug gedraaid. Hij verzette zich en toen sprongen er meerdere agenten op hem. Eenmaal op het bureau, kreeg hij een boete voor het verstoren van de openbare orde en verzet bij aanhouding. Over het klimaat op de lagere school van mijn zoon heb ik ook mijn twijfels gehad. Van een maatschappelijk werkster hoorde ik dat daar een ‘actief ontmoedigingsbeleid’ wordt gevoerd als het om migrantenkinderen gaat. Haar woorden, maar mijn vermoeden werd ermee bevestigd.

Postkoloniale trekken

Van huis uit kreeg ik een groot gevoel voor rechtvaardigheid en medemenselijkheid mee. Mijn vader weigerde dienst in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Zijn verklaring: ik waag mijn leven niet voor de belangen van de rijken, wij hebben daar niks te zoeken. We reden eens langs de Vecht en vergaapten ons aan de mooie landhuizen en de prieeltjes in de tuinen. „Kijk maar goed om je heen”, zei hij. „Die weelde is gebouwd met bloed, zweet en tranen van zwartjes.” (Ja, dat woord dan weer wel.) Mijn vader had als boerenjongen weinig opleiding genoten, maar om onrecht te signaleren had hij geen graad nodig. Mijn moeder, op haar beurt, hielp eens een asielzoeker die zijn laatste bus gemist had. Mijn ouders raakten er nadien niet over uitgepraat hoe zwárt die man wel niet was, maar ze brachten hem wél naar zijn tijdelijke thuis.

Gewapend met dit instinct en van onschuld ontdaan door de ervaringen die mijn man en mijn zoon dagelijks opdoen, kan ik niet anders dan – in lijn van mijn vader – concluderen dat onze maatschappij is gebouwd op onrecht. Dat Nederland nog steeds postkoloniale trekken vertoont, een maatschappij waarin de één gelijker is dan de ander. Terwijl het voor mijn gezin vaak zonneklaar is wanneer er sprake is van discriminatie, waarschuwt Vuijsje voor het ‘oprekken’ van dat begrip.

Meneer Vuijsje, u weet niet waarover u praat! U ervaart niet wat wij ervaren. Verdiept u zich eens in de pijn en de frustratie van jongeren zoals mijn zoon – die hier geboren is, maar als een vreemde ander wordt opgejaagd. U bent het toch met mij eens dat hij recht heeft op net zo’n zorgeloze jeugd als zijn witte leeftijdgenoten?