Column

Waarom Den Haag is verworden tot een systeem dat idealen vermorzelt

Deze week: wat verklaart de aantrekkingskracht van utopisme à la Baudet?

Ofwel: het stelsel waarmee Den Haag politieke idealen vermorzelt.

Beginnende kabinetten zijn goed in het zoekmaken van idealen. Ik hoorde deze week een nog jonge bewindspersoon zeggen: als het niet kan zoals het moet, dan moet het zoals het kan. Een klassieker uit het grote pragmatismeboek.

Rutte III: doodgewoon kabinet.

Het interessante is alleen dat de nieuwe regering ook te maken heeft met een werkelijkheid buiten De Haag: een sluimerend verlangen naar een ideële omwenteling.

Naar grootse idealen, grote kritiek, en de grootspraak die daarbij hoort: de wens de politiek en de cultuur, zelfs de architectuur, in één klap rigoureus een nieuwe richting op te duwen.

Dit was het contrast van de week. In het weekeinde Thierry Baudet, de nieuweling, die zijn aanhang toesprak om „het duizelingwekkend destructieve proces waarin wij ons bevinden” te keren – met ongeduld en, zo te zien, overtuigingskracht: „We moeten de dominante ideeën veranderen.”

Later in de week de gebruikelijke orde op Haagse dagen, in de Kamer en op ministeries. Notities, memo’s, parafen. De begrotingsbehandelingen met hun vaste ritme: eerste termijn, motie op stuknummer 43, ik schors de vergadering.

Je dacht onwillekeurig: het zou goed zijn als die twee werelden elkaar zouden treffen in de nationale vergaderzaal. Maar geheel volgens de tijdgeest komen beide amper uit de eigen bubbel.

Baudet is Kamerlid maar doet zelden mee aan Kamerdebatten: hij heeft geen tijd voor „schijndebat” met „verbijsterende herhaling van zetten”, vertelde hij deze krant.

En de anderen denken: wacht maar mannetje, jij komt er nog wel achter.

Evengoed vrees ik dat hier iets uit de hand is gelopen. Het verband tussen de alledaagse politiek van feiten en maatregelen, en de verlangende politiek van ideeën en idealen, is vrijwel verdwenen – en dit zou ons zorgen mogen baren.

Zowat alle politici zeggen dat ze willen verbinden. Maar politieke idealen en politieke feiten bestaan bijna alleen nog naast elkaar. Gescheiden werelden.

De ene waarin politici de tekortkomingen van het leven accepteren: het is november, daar heb je de defecte bovenleidingen weer. De andere die neerkijkt op de ogenschijnlijke ideële leegte van politiek leiders en daar een meeslepend nieuw begin tegenover stellen.

Voor een deel heeft dit natuurlijk te maken met de verplaatsing van de politiek. Het verschijnsel dat onze invloedrijkste debatten nog zelden in de Kamer worden gevoerd. Immigratie, islam, Zwarte Piet, vuurwerk, sociale media: dat soort splijtende thema’s voldoen zelden aan de procedurele voorwaarden van de Kamer.

Zo marginaliseert de Kamer zichzelf: veel klein rumoer, of groot rumoer over kleinigheden.

En dus wordt de belangstelling van de burger voor politiek – voor idealen, ideeën, maatregelen – vooral gevoed door mensen en gebeurtenissen buiten Den Haag.

De nieuwe idealisten van rechts doen hun inspiratie op in de VS: wat daar gebeurt is vaak een voorbode van wat ons te wachten staat. Het begrip alternatieve feiten kreeg er deze week een nieuwe lading dankzij een video met verzonnen moslimgeweld die de president retweette.

Het deed er niet toe of de interpretatie van de video correct was, verklaarde zijn woordvoerder: het ging erom dat de dreiging correct was. De feiten hoeven niet meer te kloppen als ze de gewenste symboliek brengen.

Je kunt hier verontwaardigd over zijn, maar een beginnend Kamerlid vertelde me deze week wat hij van de mediatraining had opgestoken: aan feiten heb ik niets, zei hij, beelden moet ik hebben.

Het is ook een veeg teken dat oud-politici – als lobbyist of opinieleider – vaak meer Haagse invloed hebben dan beroepspolitici die binnen het systeem blijven. Denk aan André Rouvoet (zorgverzekeraars), Arend Jan Boekestijn (multi-inzetbaar columnist) of Jan Terlouw (het touwtje en andere cultuurkritiek).

Het is te simpel dat alleen huidige beroepspolitici te verwijten: zij komen vanaf dag één in een systeem dat ze dwingt tot onttovering van hun grote ideeën.

Dat begint ermee dat de procedures zelden grootsheid toestaan: Haags beleid wordt gemaakt in partjes. Probeer ‘het zorgbeleid’ maar eens te begrijpen: honderden afkortingen, nota’s doorspekt met jargon (intramuraal, extramuraal), beleid onderverdeeld in tientallen deelgebieden.

Zo kan het gebeuren dat verkiezingscampagnes draaien om ‘de marktwerking in de zorg’, terwijl ze in de zorg denken: welke markt, welke zorg? Het ideaal is al in stukjes gehakt nog voordat de nieuwe Kamer aantreedt.

Dan is er, zoals dat heet, de beleidscyclus. Partijen wegen voor elke nationale verkiezingscampagne nieuwe beleidsideeën: hun voornaamste poging de eigen idealen te paren aan gewenst beleid.

Maar ook dat heeft weinig meer van de ideële zuiverheid die kiezers zo waarderen. Al voordat zo’n partij tot ideeën komt, zijn zij bewerkt door tientallen belangengroepen, lobbyisten en bedrijven: de idealen van een partij worden eindeloos gekneed voordat ze het verkiezingsprogramma bereiken.

Gelijktijdig ontwikkelt de bureaucratie een concurrerende werkelijkheid. Ruim voor de verkiezingen bepaalt de Studiegroep Begrotingsruimte, een commissie van topambtenaren, de financiële ruimte voor alle idealen. Vervolgens wegen adviesorganen – CPB, Planbureau voor de Leefomgeving – de effecten van de idealen.

Zo is het al een hele toer partijpolitieke idealen overeind te houden. En welhaast een wonder als ze daarna ook verkiezingen overleven en een regeerakkoord halen. De meeste partijpolitieke idealen zijn dan allang verschrompeld.

En daarbovenop komen de idealen die tegenvallen. De VVD was jaren kampioen terugdringing overheidsregels. Minder overheid.

Maar deze zomer werd het adviescollege daarvoor (Actal) na zeventien jaar opgeheven, en het regeerakkoord bevat naast drie nieuwe ministerschappen ook plannen voor een baaierd nieuwe regels, vooral inzake klimaat. Tot zover de liberale idealen.

En vrijdag formaliseerde Rutte III de nederlaag van D66 inzake het raadplegend referendum: de wet daarvoor, een initiatief waaraan oud-D66-Kamerleden Van der Ham en Schouw meewerkten, wordt ingetrokken.

Bij de eerste parlementaire behandeling in 2009 voerde partijleider Pechtold zelf nog ronkend het woord. Hij prees het referendum als „noodrem” voor de bevolking, bij voorbeeld als de Kamer „door compromissen en coalities is afgedreven van de kiezersuitspraak”. Nu hij zelf in de coalitie zit, ziet hij dat anders.

Na alle ongemak over het Oekraïnereferendum is het wel te begrijpen. Maar ook is te begrijpen dat politici als Baudet succes hebben in reactie hierop: dat zij een verlangen naar grootse idealen en ideeën losmaken in reactie op al dat opeengestapelde pragmatisme.

Of Baudet de nieuwe Fortuyn of Wilders wordt, zoals sommigen nu al weten, is iets anders. Ik weet niet of zijn nostalgie naar de negentiende eeuw hem veel brengt.

En tien zetels in de peilingen, acht maanden na zijn komst in de Kamer, laat potentie zien – maar dat is ook alles. Een half jaar nadat 50Plus najaar 2012 in de Kamer kwam, stond de partij op 24 zetels in de peilingen: ze haalde er vier. Trots op Nederland stond een half jaar na haar introductie in 2008 op 16-26 zetels: ze haalde er nul. Et cetera.

Toch bewijst Baudet de democratie nu al zijn waarde. Hij legt bloot dat de politiek alleen nieuwe geestdrift kan losmaken bij jonge mensen met nieuwe verhalen en nieuwe idealen: een krachtige wil tot verandering, strijdlust, een zekere verhevenheid.

Natuurlijk: het Haagse pragmatisme laat al jaren uitstekende resultaten zien. Maar de werkelijkheid is: zonder verlangen naar iets hogers holt de politiek zichzelf uit.

Zonder verlangen naar iets hogers presteren politici nog wel – maar verliezen zij uiteindelijk hun publiek.