Column

Waarom Berlijn lauw is over Ruttes euro-ideeën

Tijdens een congres van de Duitse jonge socialisten, vorige vrijdag, kreeg Martin Schulz een sms van Alexis Tsipras; de Griekse premier moedigde de SPD-leider aan om in een grote coalitie met Merkel te stappen. „Ze kijken naar ons”, hield Schulz de jongeren voor. Onder dekking van zulke Europese druk maakt de SPD de draai naar coalitiegesprekken, die Schulz zelf eerst had afgewezen na het klappen van het ‘Jamaica’-beraad tussen christen-democraten, liberalen en Groenen.

Nog sluiten de sociaal-democraten de onbeproefde formule van gedoogsteun aan een CDU/CSU-minderheidsregering niet uit. Maar Merkel vindt dat onwerkbaar. Zij zal dus, nu de FDP afhaakt, de SPD aan boord willen als volwaardig regeringspartner. Natuurlijk: zoals Rutte II veelkleurige akkoorden bijeen sprokkelde, zou ook een Duitse minderheidsregering op binnenlandse thema’s als belastingen, pensioenen of zorg in de Bondsdag om steun kunnen winkelen. Heus geen ramp. Maar de bondskanselier beseft dat ze vanuit die positie geen Europese en buitenlandse politiek kan bedrijven. Daar gaat het vaak om snelle besluiten, om op je woord worden vertrouwd. Als ze telkens achterom moet kijken of ze steun van de oppositie heeft, valt haar – en dus Duitslands – internationale gezag weg.

Het duurt velen toch al lang. In Brussel is het duimen draaien. De Franse president Macron, die op 26 september zijn Sorbonne-rede over Europa’s toekomst hield, wacht nog op antwoord uit Berlijn. Reken er voorlopig niet op, zei Merkelvertrouweling Peter Altmaier afgelopen weekeinde: over Franse plannen voor de eurozone of een interventiemacht moeten partners in een nieuwe Duitse regering het eerst onderling eens worden. Wel worden ook de Europese kaarten opnieuw geschud. Terwijl Macron met de komst van de SPD de verwezenlijking van zijn euro-plannen dichterbij ziet komen, verliest Rutte met het vertrek van de FDP een bondgenoot.

Het Nederlandse regeerakkoord speelde een opmerkelijke rol in het einde van de Berlijnse coalitieonderhandelingen, leert een spannende, slag-voor-slag reconstructie in de Frankfurter Allgemeine Zeitung (27/11). Op de dag dat het akkoord voltooid had moeten zijn, kwam FDP-leider Christian Lindner ’s ochtends onverwacht aanzetten met een uittreksel uit het regeerakkoord van Rutte III. Verbazing bij de anderen, wat is dat nu? Lindner las voor dat de Nederlandse regering de gemeenschappelijke financiering van schulden afwijst en dat ze geen mechanisme wil om de gevolgen van economische schokken op te vangen. De FDP-man stelde voor om deze formuleringen te kopiëren: ook hij wil geen nieuwe geldpotten.

Reactie van de Groenen: „Het is zinloos nu ideologische debatten te gaan voeren.” Zeker zo veelbetekenend was de reactie van de christen-democraten. In de FAZ-weergave klinkt dat zo: „Ook zij vonden, bij alle sympathie voor een duidelijke stellingname, dat Duitsland toch niet met Nederland vergelijkbaar was.” Geen achterhoedegevechten graag. Lindner haalde op dit punt bakzeil – hij zocht de confrontatie later die avond op het thema migratie – maar het was een slecht begin van de dag, en het zou de opmaat blijken naar de breuk.

De scène mag ook in Den Haag te denken geven. Zelfs in Berlijn bestaat weinig politieke steun voor de euro-stellingnames van Rutte III. Ja, wel binnen de FDP, en binnen het Duitse ministerie van Financiën, dat al eerder, in oktober, soortgelijke proefballonnen opliet, die toen kennelijk gretig werden overgenomen door Haagse onderhandelaars. Maar losse ideetjes is één ding, een bindend regeerakkoord een ander. Rutte gokte erop dat zijn Duitse zusterpartij de hervorming van de eurozone zou afremmen. Dat was al een riskante gok mét het vooruitzicht van de FDP in de regering: ingebouwde teleurstelling. Zonder de FDP treedt die teleurstelling, bron van nieuw ressentiment, nog sneller aan het licht.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht en EU-studies (Leiden, Louvain-la-Neuve). Onlangs verscheen zijn boek De nieuwe politiek van Europa.