Verder zoeken naar de bron van Zwarte Piet

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op onverwachte raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: wie bedacht Zwarte Piet, en wanneer?

Illustratie Verzameling Peter van Trigt

Voortgangsrapportage Onderzoek ZP! In 1850 krijgt de Nederlandse Sint Nicolaasfiguur voor het eerst een knechtje, een knechtje ‘dat zwart is van kleur’. Hij verschijnt in een kinderboekje van de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman. Of Schenkman daarbij een ‘neger’ of ‘moor’ voor ogen had weten we niet, dat het in de illustraties een ‘neger’ wérd kan op een misverstand van de (onbekende) tekenaar berusten.

Uit kunsthistorische hoek is aangevoerd dat die tekenaar zich destijds liet inspireren door een schilderij van Michiel van Musscher uit 1687. Het doek ‘Thomas Hees met zijn neven’ toont in de rechterbovenhoek aan de wand twee geweren en nog wat parafernalia die wel wat lijken op het geweer en ándere parafernalia op een plaatje bij Schenkman. Achter Hees staat een moorse bediende die best een slaaf geweest kan zijn. Voilà: Zwarte Piet was een slaaf. Of de tekenaar ooit in gelegenheid was het doek te bekijken is nooit onderzocht. Deze week bleek dat het pas in 1914 in een museum (het Mauritshuis) belandde: een legaat van Jan Hendrik Hora Siccama, die het zeker al in 1897 bezat. Dat was punt één.

Sinterklaas was eigenlijk een brullend zwart monster met kettingen

Het boekje van Schenkman verscheen in de tijd dat Sinterklaas zwaar op zijn retour was, de mystiek paste niet langer in het Verlichtingsdenken. Er kwam bij dat de – onzichtbare – Sinterklaas vaak als boeman werd ingezet, hij was eigenlijk een brullend zwart monster met kettingen dat bij stoute kinderen uit de schoorsteen kon kruipen. Sinds 1800 is expliciet en energiek gewerkt aan totale uitbanning van de Sinterklaasfiguur. Het kind dat nog in hem geloofde was dom.

Sint heeft een kantoor

Wat dit betreft was niet de introductie van de knecht Schenkmans grote vernieuwing, maar zijn besluit de Sint te handhaven en te vermenselijken. Sint reist met een stoomboot, koopt in bij bakkers en boekwinkels en doet de boekhouding in een kantoor. Maar met deze laatste vondst was hij niet de eerste. Onderwijzer George d’Ancona, ook Amsterdammer, was hem in 1842 voorgegaan met zijn ‘St. Nicolaas almanak voor brave kinderen’ waarin, volgens de advertenties, ook al een plaatje stond van een Sint Nicolaas-Kantoor. Het boekje, door D’Ancona zelf uitgegeven, is nog steeds niet gevonden. Ongelukkig, want het duo Schenkman-Bom heeft, zoals hier eerder beschreven, veel, héél veel ideeën van D’Ancona gepikt. Georgius Jacobus d’Ancona overleed, 47 jaar oud, in oktober 1850 ‘na een smartelijk lijden van ruim dertien weken’. Zijn vrouw stierf twee maanden later. Toen hadden Schenkman en Bom vrij spel.

G.J. d’Ancona wordt in de International Review for Social History (januari 1937) geschaard onder de voorlopers van de socialistische beweging. Als zodanig is hij ook opgenomen in het proefschrift Waarachtige volksvrienden van historicus Dennis Bos (UvA, 2001). Een deel van de boekjes die hij maakte is inmiddels gescand door Google Books. Er zit veel schaamteloze rijmelarij bij (want de schoorsteen moest roken) maar tussen de regels vinden we D’Ancona’s afkeer van drankmisbruik en het spelen in de loterij. Hij bepleit een heffing op producten die met behulp van stoommachines worden gefabriceerd. Uit de brieven van Jan Regtuit (1843-1844) blijkt zijn politieke houding. Hij drijft de spot met de onderdrukking van het Damoproer in 1848.

Er is niet heel veel over het leven van D’Ancona te vinden. Hij werd in 1824 ondermeester in Leiden en rond 1828 hoofdonderwijzer in Overijssche (Overijse) bij Brussel. Hij was er lid van het Koninklijk Genootschap Concordia dat de Nederlandse taal en cultuur onder de Vlamingen moest verspreiden. Na de Belgische opstand (1830) trok hij weer naar het noorden. Mogelijk heeft hij les gegeven op een elite-kostschool in Vollenhove en op een school in Loenen waar hij zijn vrouw ontmoette. Rond 1838 begint hij met schrijven en rijmen, zijn advertentiebureau (‘commissie bureau’) verandert in een boekwinkel annex uitgeverij.

Vermenselijking

Tussen 1840 en 1848 liet D’Ancona zich een paar keer door Sinterklaas inspireren. De spoorloze St. Nicolaas almanak is al genoemd. In 1848 publiceerde hij een ‘Rekwest’ van kinderen aan Sint Nicolaas, hetzelfde jaar kwam ook een ‘Antwoord’ van de bisschop en verscheen een St. Nicolaasspel. Het waren noviteiten avant-Schenkman die bijdroegen aan bestendiging en vermenselijking. Of dit streven spontaan in D’Ancona opwelde of dat hij door buiten-Amsterdamse waarnemingen was geleid is onbekend. Op het Nederlandse platteland was de Sinterklaasviering anders dan in de grote stad. Vollenhove? Loenen? Speelde de periode in België een rol? De Vlaamse Sinterklaasviering is niet goed in kaart gebracht.

Het begon allemaal in 1840 toen D’Ancona een ‘Brief van St Nicolaas aan zijne vriendjes en vriendinnetjes’ uitbracht. Advertentie in het Algemeen Handelsblad op 3 december – maar tot voor kort óók onvindbaar. Toen verscheen vorig jaar het schitterend geïllustreerde 1000 jaar Sinterklaas van journalist Peter van Trigt (UM Publishers) met een erudiete en nuchtere beschrijving van het Sinterklaasfeest door de eeuwen heen, ook buiten Nederland. Met veel aandacht voor Zwarte Piet die aanvankelijk vaak helemáál niet als page of slaaf werd uitgebeeld.

En dan opeens een foto van de Brief uit 1840, hij staat hiernaast. Van Trigt heeft hem jaren geleden bij een Haags antiquariaat gevonden. We zien er een vriendelijke Sinterklaas met rechts de zwarte Sint als boeman, inclusief kettingen. Het boek gaat er uitgebreid op in maar geeft geen uitsluitsel. Wilde D’Ancona de twee in 1840 nog naast elkaar handhaven of zien we hier al een afwijzing van de boeman? Er is nog veel onderzoek nodig.