Column

Rijen

In de supermarkt kan ik overspoeld worden door een groot gevoel van naastenliefde. Kán. Het hangt er nogal van af naar welke supermarkt ik ga. Er is een supermarkt waarin ik steevast overspoeld word door precies het tegenovergestelde. Het is de supermarkt waar bakstenen liggen, vermomd als eetrijpe avocado’s. Dat er nog nooit iemand met die vruchten is gaan gooien is mij een raadsel. Iedereen die deze supermarkt ingaat verandert bij het toegangspoortje in een maniak. Ik ook. Je ademt in en duikt het parcours vol hindernissen op. Zo spatte er ooit eens spontaan een glazen deur van het koelvak voor sapjes uit elkaar toen een deftige meneer en ik elkaar voor die deur troffen en kort pauzeerden om te zien wie hem als eerste zou gaan openen. Hij had om zich heen gekeken, of iemand het had gezien, vloekte half binnensmonds en half buitensmonds, wat niet heel deftig was, en stapte toen door het krakende glas van de situatie weg. Dan maar geen sap.

In de lange rijen voor de kassa hijgt men in elkaars nek. Iedereen wil eruit. Naar buiten. Stuk voor stuk bommen met een karretje of mandje. Je kijkt eens naar wie er in je oor staat te hyperventileren, naar de persoon die zich aanvankelijk in je aura wurmt, om erop te wijzen dat het geen zin heeft, onprettig is, en dat die persoon misschien wel eerder aan de beurt is, maar dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat die persoon met zijn eigen boodschappen naar huis gaat als hij/zij zich daadwerkelijk met gedachtekracht in jouw lichaam weet te nestelen. Je stapt een stukje uit de rij opzij om aan te geven dat je stikt, en dan krijg je een vuile blik toegeworpen. Een blik die zegt ‘sterven is helemaal prima maar neem wel je boodschappen van de band mee je graf in en de groeten’.

Ik neem het de mensen niet kwalijk. Het ligt denk ik aan de supermarkt.

Het is de supermarkt waar bakstenen liggen, vermomd als eetrijpe avocado’s

In de supermarkt waar ik van houd is het ook altijd erg druk. Je loopt elkaar voortdurend voor de voeten, knalt er met je karretje tegen elkaar aan, maar dan wordt er gelachen en zegt men sorry. In deze supermarkt werken volwassen mensen van boven de zeventien. Mensen maken praatjes met elkaar, vragen tussen opgestapelde pakken wc-rollen aan elkaar hoe het nu gaat. Voor de deur zit elke dag een meneer zonder benen in een elektrische rolstoel. Hij zegt iedereen gedag. Iedereen zegt hem gedag. Omdat hij er altijd zit nam ik aan dat hij in de buurt woonde. Maar zo is het niet. Hij komt elke dag van de andere kant van de stad met het openbaar vervoer. Hij heeft net een nieuw huisje, met een grote tv. Ik zal hem eens vragen waar de man gebleven is die hier tot op een paar jaar geleden elke dag „ground control to major Tom” stond te zingen met zijn gitaar. Ik mis hem. Als hij maar niet dood is. Op het advertentiebord zoeken mensen naar woningen, werk of een „kitten, katertje, Britse korthaar, grijs (of anders half lang haar)”. Sinds 19 oktober hangt er dit kaartje: „Vrouw, 55+, Nederlandse, zoekt Nederlandse vriend voor een vaste relatie”. Het is niet in één keer goed geschreven en het woord vriend is dik over iets dat op het woord vriend lijkt geschreven. Er hangt nog een kaartje: „Vrouw, 55+, Nederlandse, zoekt vriendin niet lesbisch om leuke dingen te doen”. Hetzelfde handschrift, hetzelfde telefoonnummer. Ik hoop dat ze inmiddels een vriend of vriendin heeft gevonden. Misschien is het de mevrouw die heel veel kattenvoer koopt of de mevrouw met de biertjes en het pak vla. In deze rijen kun je nog echt mensen zien.