Cultuur

Interview

Interview

Foto Merlijn Doomernik

‘Ik zwier als een geluksvarkentje door het leven’

Schrijver Geert Mak , die deze week de oeuvreprijs van het Prins Bernhard Cultuurfonds ontving, praat over stad en platteland, geloof, oorlog en familie. ‘Ik was een onbehoorlijk gezonde baby.’

De gaslampen lijken nog maar net vervangen door elektrische peertjes en het is nog niet zo héél lang geleden dat de potkachel, midden in de zaak, op kolen brandde. „Zal ik hem aandoen?”, vraagt de serveerster. Café Scheltema, Nieuwezijds Voorburgwal, Amsterdam. Vroeger, toen de grote kranten hier nog hun kantoren hadden, was dit het domein van doorrookte journalisten. Vandaag zitten er een paar Amerikaanse toeristen die elkaar luidkeels vertellen hoe Hollands het hier is.

Het was Geert Maks idee om elkaar bij Scheltema te treffen en net als 22 jaar geleden, toen ik hem aan hetzelfde tafeltje sprak, hebben we het over het water dat tot diep in de negentiende eeuw door de burgwal stroomde, en hoe jammer het is dat daar nu asfalt ligt. Mak had toen net Een kleine geschiedenis van Amsterdam geschreven en zou kort daarna beroemd worden met Hoe God verdween uit Jorwerd. Hij was bijna vijftig. Hij zei dat zijn hart bijna brak bij de gedachte aan wat er in de stad allemaal naar de sodemieterij was geholpen.

Nu is hij bijna 71 en voor de zoveelste keer gelauwerd. Maandag kreeg hij uit handen van koningin Máxima de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs voor zijn oeuvre vanwege de ‘ongeëvenaarde verteltrant’ waarmee hij de geschiedenis tot leven weet te wekken. Honderdvijftigduizend euro. „Ik voel me natuurlijk zeer vereerd”, zegt hij. „Ik ben heel dankbaar. Maar het is ook beschamend. Ik ken reeksen andere schrijvers die er net zo goed voor in aanmerking zouden komen en ik voel me geen cent beter dan zij.”

De duivel…

„…schijt altijd op de grootste hoop, ja.” Hij lacht er vrolijk bij.

En u bent niet eens historicus.

„Nee, jurist. Ik ben ooit rechten gaan studeren om journalist te kunnen worden, dat wilde ik al vanaf mijn achtste. Het was het enige wat ik wilde worden. Ik dacht alleen dat je daar heel oud en wijs voor moest zijn, en in de tussentijd moest ik wel mijn brood verdienen. Met rechten kon je alle kanten op.”

Journalist willen worden op uw achtste, hoe kwam u daarop?

„Een van mijn vroege herinneringen is dat ik op mijn buik op de vloer lag en het Friesch Dagblad las, pagina na pagina. Bij de krant werken en alles van Amsterdam weten, dat waren de doelen in mijn leven.”

Terwijl u in Leeuwarden woonde.

„Mijn broers studeerden in Amsterdam, ze hadden me een keer meegenomen. Ze woonden onder Harry Mulisch op de Leidsekade en ik mocht stiekem even in mijn eentje naar buiten, een eindje lopen, ontzettend stoer, door de Leidsestraat. Het geluid van die piepende, tweeassige trams. De dynamiek, de schoonheid van de stad, fantastisch.”

Uw oudste broer studeerde theologie, toch?

„Ja, en mijn jongste broer, Hans, sociologie. Hij is manager geworden, bij Hoogovens, maar wel een verdomd goeie manager, en dat zijn er niet zoveel. Hij zou zich kreunend in zijn graf omdraaien als hij wist hoe dat beroep gedegradeerd is, volledig gekoloniseerd door beunhazen. Dat emotioneert me enorm, hè, die laag regenten die zich de afgelopen kwart eeuw tussen het politieke bestuur en het gewone leven gewurmd heeft. Net als in de achttiende eeuw in Amsterdam wemelt het van de mensen die elkaar baantjes toespelen, altijd maar voor korte tijd ergens zitten, zelden iets van de inhoud van het werk weten, daardoor niemand vertrouwen en uitzinnige controlesystemen optuigen. Het effect is dat schoolmeesters en dokters en boeren de lol in hun werk totaal zijn kwijtgeraakt. De meesten zijn te fatsoenlijk om op rare populistische partijen te stemmen, maar vanbinnen zijn ze woedend. Woedend.” Hij slaat met zijn vlakke hand op tafel. Pas als we verder praten over zijn eigen geschiedenis, kan hij weer lachen en buitelen de woorden over elkaar heen, zoveel wil hij tegelijk vertellen.

U las als jongetje vast ook veel boeken.

„Een van de eerste was van Justus van Maurik, de sigarenfabrikant van het Damrak die ook schrijver was. Het stond bij mijn oom Petrus en tante Maai in de kast en als ik daar dan met mijn ouders op visite was, pakte ik Toen ik nog jong was. Stokoud, dat boek, toen ook al, maar hoe hij zijn tochten door Amsterdam beschreef, de gesprekken die hij hoorde, de mensen. Eigenlijk was hij de eerste echte verslaggever. Geen toeval dat hij correspondeerde met Emile Zola, de oervader van de moderne journalistiek. Je kunt rustig stellen dat Justus van Maurik van grote invloed is geweest op mijn tere jongenszieltje. Oom Petrus en tante Maai waren trouwens echte sociaaldemocraten, ze hadden nog met Pieter Jelles Troelstra opgetrokken. En mijn vader was een echte gereformeerde dominee. Maar ze hielden veel van elkaar.”

Wordt u nog altijd zo melancholiek als u denkt aan wat er in Amsterdam allemaal veranderd is?

„Nou, nee, want ik weet maar al te goed hoe lang het een verkrotte klotestad is geweest. De half verrotte paarden in de grachten, de plees die erop geloosd werden, het afval van de leerlooierijen. Het stonk er geweldig, helemaal in de zomer, dus de sjiek vertrok in mei en kwam in oktober weer terug. Toen er riolering kwam en de industrie verdween werd het beter, maar echt hoor, nog in de jaren 70 was die mooie Amsterdamse binnenstad grotendeels verkrot.”

En toen begon de sloop.

„Als je de plannen uit de jaren 60 ziet, word je wit om de neus. Fly-overs, vierbaanswegen door het centrum, gedempte grachten, overal betonnen kolossen – een Amerikaanse stad. Die gekte is gelukkig voorbijgegaan, het verzet” – waar hij als krakerssympathisant en PSP’er fanatiek aan meedeed – „was te hevig. Sommige van die kolossen zijn zelfs weer afgebroken. In Amsterdam ziet men nu de waarde van het verleden, men gaat er steeds preciezer mee om. Nee, de melancholie die ik vroeger bij Amsterdam voelde, voel ik nu bij het Friese platteland, bij de Greidhoeke.”

Elke boer die een joekel van een stal in het landschap wil flikkeren krijgt toestemming

Waar Jorwerd in ligt.

„In een van oorsprong heel mooi klassiek cultuurlandschap met prachtige terpdorpen. De afgelopen twee, drie decennia is het behoorlijk aan gort geholpen. Een kennis van me in Jorwerd wilde een fietsenhokje neerzetten, nou, de gemeente lag meteen dwars. Maar elke boer die een joekel van een stal in het landschap wil flikkeren krijgt binnen drie weken toestemming. Dan moet hij er wel bomen omheen planten, maar die regel wordt nergens gehandhaafd.” Weer die vlakke hand op tafel. „De Greidhoeke wordt één groot agrarisch industrieterrein waar babymelkpoeder voor de Chinese markt wordt geproduceerd. Goddank begint er nu wel een tegenbeweging op gang te komen.”

Boeren moeten ook leven.

„Ja, en ik heb vaak groot respect voor ze. Ze werken zich kapot, ze overleven, ze hebben iets heroïsch. Veel boeren zoeken naar oplossingen, dichter bij de natuur. Maar er zijn er ook die zich laten opnaaien door de Rabobank en de landbouworganisaties, ze doen enorme investeringen en dan wordt het: óf steeds verder uitbreiden óf op de fles.”

We praten door over de groeiende tegenstelling tussen de stad en het platteland, over globalisering en immigratie, over de revolutie die volgens hem al jaren gaande is, niet op straat, maar op Twitter en in het stemlokaal. „Het relt als een gek.” Dan krijgen we het weer over zijn vader, die zeer vroom was, maar ook mild en modern in zijn denken. Hij had de oorlog in Nederlands-Indië overleefd als krijgsgevangene en geestelijk verzorger van de dwangarbeiders aan de Birma-spoorlijn. „Zijn God”, zegt Geert Mak, „was een genadige en liefdevolle God, geen wrekende God. Ik heb nooit de behoefte gevoeld met het geloof af te rekenen, zoals Maarten ’t Hart, of Maarten Biesheuvel, of Jan Wolkers.”

Wanneer bent u opgehouden te geloven?

„Geleidelijk, toen ik studeerde. Het was meer een breuk met het instituut dan met het geloof zelf. De toenmalige Gereformeerde Kerk bleef achter de Amerikanen staan terwijl die een misdadige oorlog in Vietnam voerden. Ik wilde er voor geen centimeter meer bij horen. Maar ik heb altijd iets religieus gehouden, ik heb er nooit verachting voor gevoeld. Ik zou willen dat ik eh…” – hij zoekt lang naar de juiste woorden – „iets van dat kinderlijke godsgeloof bewaard had. In mijn dromen heb ik het nog wel. In mijn dromen” – hij schiet vol – „zie ik mijn broers weer terug. Ik was een nakomertje, hè. Mijn ouders, mijn broers, mijn oudste zus An, ze zijn allemaal dood. Alleen mijn zus Tien leeft nog. Een kwieke oude dame van 86 in een verzorgingshuis in Sneek. Weet je, dat verliezen van je familie hoort erbij. En ik heb zo belachelijk veel geluk gehad. Zij hebben oorlogen meegemaakt, armoede, diepe ellende. Ik zwier als een geluksvarkentje door het leven. Maar zij zijn wel heel bepalend voor me geweest. Ik voel me” – hij zoekt weer naar de juiste woorden – „solidair met hen. Alleen kan ik aan die solidariteit geen vorm mee geven.”

Waarom schiet u nu weer vol?

„Ja, nou ja, ik weet het niet zo goed. Het heeft te maken met dat benijdenswaardige godsgeloof, waar nu vaak zo honend over wordt gedaan, maar dat veel mensen, in elk geval mijn vader, tot een leven in dienst van iets groters heeft gedreven. Dat kan tot gevaarlijke toestanden leiden, kijk naar de jihadisten, maar ook tot heel veel goeds. Dat gevoel van solidariteit tussen generaties, daar komt mede mijn spuwende razernij over de graaicultuur in de semipublieke sector vandaan. Alle convenanten, alle fundamentele afspraken tussen burger en staat worden ermee geschonden. Op den duur is dat zeldzaam ondermijnend voor een samenleving. Als je weet hoe al die keurige mensen vroeger, die per jaar veertien dagen met vakantie gingen naar Castricum, zichzelf hebben weggecijferd om maatschappelijke organisaties op te zetten, om besturen te vormen van scholen en verpleeghuizen en woningbouwcorporaties, en hoe de windbuilen en de blaaskaken daar nu mee aan de haal zijn gegaan, dan kun je alleen maar eh…”

Woedend zijn?

„Ja.”

Een week later zitten we weer in Café Scheltema en intussen heb ik De eeuw van mijn vader uit 1999 herlezen, Maks meest persoonlijke boek. Nu weet ik weer dat het grootste deel gaat over de Indische jaren van zijn ouders en zijn vijf broers en zusters. Of eigenlijk waren het er zes: één broertje kreeg als baby hersenvliesontsteking en overleed. De jaren die zijn vader in Birma doorbracht, bracht zijn moeder met de kinderen door in Jappenkampen. Daar kwam ze eind 1945 meer dood dan levend weer uit.

Voelt u zich een tweede generatie oorlogsslachtoffer?

„Slachtoffer? Nee. O nee. Om meerdere redenen niet. Ik groeide op in een gezin waarvan alle leden wonderbaarlijk genoeg heelhuids de oorlog waren doorgekomen en dat gaf hun enorm veel energie. Dat vergeten mensen wel eens, hè, hoeveel energie dat geeft, en lef. Ik ben deels opgevoed door mijn broers en zussen, en die hadden geen enkel respect meer voor welk gezag dan ook, ze hadden in de kampen te veel volwassenen door de mand zien vallen. De grootste beschadiging liepen mijn broers op door hun terugkeer naar een totaal vertrut Nederland. Ze waren verwilderde kampjongens die zichzelf prima konden redden en hier werden ze gewassen en gestreken en gewatergolfd. Mijn broer Gjalt – hij klom in de hoogste bomen en als iemand dan ‘kijk uit’ riep, riep hij: ‘erger dan dood kan toch niet’. Mijn broer Hans bakte regenwormen op een stuk blik boven een vuurtje en at ze nog op ook. Er werd in Leeuwarden vreemd tegen hen aangekeken.

Ik ben deels opgevoed door mijn broers en zussen, en die hadden geen respect meer voor welk gezag ook

Het is wel zo dat mijn generatie is bepaald door de oorlog. Daar heb ik het vaak met vrienden over. Na mijn boek In Europa (uit 2004) stipte ik dat vaak aan in lezingen, met name in Duitsland, en dat gaf altijd een enorme reactie. De vaders die toetergek uit Rusland waren teruggekomen, de ausgebomde moeders, ja, ja, ja. Wij zijn de laatste generatie die nog weet: oorlog is bloedlink. En vrede is broos en kostbaar.”

Uw geboorte was een wonder, met een ernstig verzwakte moeder van 45.

„Hou op, zeg. Niet te geloven. Maar het gebeurde vrij veel, hè. Ook bij de moeder van Adriaan van Dis. De cyclus van al die vrouwen was na de kampen totaal in de war en ze verbonden er geen conclusies aan als ze geen menstruatie hadden. Mijn moeder merkte pas na vijf maanden – op de boot naar Nederland – dat ze zwanger was.”

Wat haar niet heel goed zal zijn uitgekomen.

„Ik heb lang gedacht dat mijn ouders wel ontzettend de smoor in gehad zouden hebben, maar toen ik het eindelijk een keer vroeg, bleek het tegendeel waar. Mijn moeder zei dat het haar een euforisch gevoel had gegeven. Ze had het kamp overleefd en haar lijf deed het nog. Ze kreeg een onbehoorlijk gezonde baby.”

Daarna, schrijft u, was ze wel in één klap een oude vrouw.

„Ze kreeg twee keer tuberculose en ze moest gaan kuren in Davos. Mijn broer Hans was ook zo ziek als een hond. Die had op de boot naar Nederland een nierontsteking gekregen. Je groeit dan wel op met een gevoel van eh… noblesse oblige. Zelf zo gezond zijn, dat schept verplichtingen.”

Uw zus An, die net als uw moeder met alleen maar tienen en negens van school was gekomen, brak haar opleiding af en kwam weer thuis om voor u te zorgen.

„Daar heb ik me nooit schuldig over gevoeld. Dat heb ik wel geleerd. Dat zijn dingen waar je geen barst aan kunt doen.”

En dat gevoel van noblesse oblige, hoe uitte zich dat?

„Dat ik het heel goed moest doen. Ik moest wel dat wonder blijven.”

Uw ouders hebben uw succes als schrijver niet meer meegemaakt.

„Nee, en Cas, mijn oudste broer ook niet.”

Bemoeiden de anderen zich met wat u over de familie schreef?

„Ik heb van Hans en mijn zus Tien wel eens een pissige reactie gekregen op een stukje over mijn moeder in het kamp, op basis van wat zij me zelf verteld had. Mijn moeder had zichzelf beschreven als vrij dapper en zij zeiden: in werkelijkheid was ze een wrak. Ze hadden haar al afgeschreven. Ze zeiden dat ze zich samen door het kamp hadden gesleept – Gjalt zat in het mannenkamp, An en Cas waren in Nederland. Toen wist ik: hier moet ik voorzichtig mee zijn. Om die reden heb ik Hans en Tien in De eeuw van mijn vader ook zelf hun verhaal laten vertellen. Hans had gek genoeg ook heel goede herinneringen aan die kampjaren. Dat wilde leven, die solidariteit. Voor mijn moeder had de oorlog geen twee weken langer moeten duren, en voor mijn vader misschien drie, vier weken. Dan waren ze er niet meer geweest.”