Recensie

Het lijden van de jonge Grunberg

Arnon Grunberg

Uit een berg papier, gevonden in de garage van zijn overleden moeder, is absoluut goud opgedoken.

Illustratie Paul van der Steen

Oblomov, herinnert Grunberg zich, was zijn vaders grote held. ‘Hij was niet echt mensenschuw, maar ook niet erg mensvriendelijk. Mijn moeder nodigde wel eens mensen uit om thuis te komen eten, maar dan zei hij: „Ja, we zijn geen restaurant!” Hij had ook kaartjes laten maken met de tekst De familie Grunberg wenst u een aangename verpozing. Die deelde hij uit als er visite was. Vervolgens ging hij de krant lezen.’

Benieuwd naar de receptie van Blauwe maandagen, de autobiografische roman waarmee Arnon Grunberg succesvol debuteerde, stuitte ik op bovenstaand citaat, afkomstig uit het interview dat deze krant in het verschijningsjaar 1994 met de schrijver afnam. Wie tegen zo’n alinea aanloopt kan vermoedelijk, net als ik, de lach niet inhouden, hoe ergerlijk het gedrag van zijn vader ook voor de jonge Grunberg geweest moet zijn. Daarop zal waarschijnlijk de gedachte volgen dat wie uit zó een afwijkend nest afkomstig is (het interview staat vol met dit soort anekdotes) niet al te veel moeite zal hebben gehad om er een roman over te schrijven. Het materiaal klotste tegen de plinten omhoog.

Kunstenaarscliché

Maar vorig jaar al, toen Aan nederlagen geen gebrek het licht zag, het boek met brieven die hij als jongeling verstuurde, bleek al hoezeer het leven Grunberg vroeger tegenzat. Natuurlijk, je wist dat hij dus uit dat getroebleerde gezin afkomstig was en dat hij diplomaloos het Vossius Gymnasium had verlaten, maar hij was toch al zo vroeg succesvol geworden? Daarbij: kwam de ‘latere’ Grunberg, zeg maar de dertigplusser, niet juist als een buitengewoon afgewogen, stabiel persoon over? Lijden, dat was een soort kunstenaarscliché dat op Grunberg niet van toepassing was. Zo herinner ik me ook mijn eigen eerste serieuze confrontatie met Grunbergs teksten, zo’n vijftien jaar geleden: een schrijver hoefde helemaal geen verstrooier of bon-vivant te zijn. Ontnuchterend en in zekere zin keurig burgerlijk maakte veel meer indruk. Niet voelen maar denken ook.

Dat de weg daarnaartoe lang is geweest blijkt eens te meer uit De dagen van Leopold Mangelmann, een verzameling van Grunbergs vroegste schrijfwerk. De brieven, eenakters, verhalen, prozagedichten en de ‘oerroman’ Woord dat God schuimbekkend afwees werden door uitgever-in-ruste Vic van de Reijt geselecteerd uit een berg papier die in de garage lag van de moeder van de auteur, de in 2015 overleden Hannelore Grünberg-Klein.

De brieven en de roman springen eruit. In de epistels, geschreven aan en over begeerde vrouwen, laat Grunberg zich bij tijd en wijle kennen als een echte Werther, die vaak hopeloos verliefd is en ontzettend graag wat wil bereiken, maar die in dit alles maar mondjesmaat slaagt en drinkt en er ook financieel een zootje van maakt. Nogmaals, de volwassen Grunberg treedt gereserveerd en rationeel in het licht, maar zijn voorafschaduwing is vaak schaamteloos romantisch, zelfdestructief en wanhopig. ‘Hier moet hij zich nu toch enorm voor schamen’, noteerde ik meer dan eens in de kantlijn, tot ik bedacht dat dit toch tamelijk tijdige vrijgeven van documenten, die lang niet goed genoeg leken te zijn, misschien wel heel goed past in Grunbergs, door mij veronderstelde, gecontroleerdheid.

Dit boek, dat eerdere brievenboek, de Grunberg-exposities die de UvA organiseert en waar de schrijver aan meewerkt, zouden we het niet allemaal kunnen zien als een poging om de toekomstige Grunberg-delvers, biografen en andere levenswandelwroeters, een stap voor te zijn? Wie deelt, kan niet meer betrapt worden. Het is maar een gedachte.

Verslavende cocktail

Het absolute goud in deze laatste bundeling betreft de roman (die technisch gezien een novelle is). Die is heus niet zo goed als de romans die we van Grunberg kennen, maar voor een jongen van 19, 20 jaar is dit echt al erg goed en indringend geschreven.

De plot draait om een allenige ober die terugkijkt op zijn jeugd in Amsterdam-Zuid. Grunberg, die in 1991 al een paar toneelteksten had afgeleverd, valt nog te zeer terug op de vorm van een drama-tekst (DE MOEDER: ‘Zal ik het voor je inpakken? Bewaren?’ IK: Nee.’), maar veel ‘is er al’: het onvermijdelijke solisme, die verslavende cocktail van een hoofdpersoon die even hoffelijk als opdringerig is (voor de verfilming die nooit gaat komen moeten ze John Malkovich benaderen) en de aandrang om de ellendige sociale druk in wrange oneliners te vatten. De mensen zijn perfide maar onontkoombaar tegelijk. ‘Ik wil me aan haar binden. Binden, zodat ik op haar rug zit als een extra lichaamsdeel. Binden, zodat we elkaar tot last zijn, maar dat de dokter zegt: „Ik kan u niet losmaken, die operatie is dodelijk.” En dat zij zegt: „Maak ons toch maar los.”’

Moeder, vader, rector, psychiater: allemaal jagen ze de jongen op in een domein dat tot de veiligste van het land zou kunnen behoren. De vlucht bestaat uit de fantasie. Niet als een separate droomwereld, maar een sociaal antidotum, een schild. ‘Ik ontdekte de grenzen van wat je mensen kon wijsmaken en raakte er bedreven in mij in verhalen te hullen. Soms werd ik betrapt op tegenstrijdigheden, omdat ik aan iedereen een ander verhaal vertelde. Daarop werd ik nog waziger, zo min mogelijk concreet. Ik gaf nooit exacte gegevens, alleen maar vage aanduidingen, en kwam zó in een bijna perfect systeem terecht, waar niemand iets meer van me begreep. [...] Ook de leraren en mijn psychiater, dacht ik, konden aan mijn verhalen geen touw meer vastknopen. Ik had waarheid en leugen zo met elkaar vermengd dat ze een onafscheidelijke kluwen hadden gevormd.’