Column

Film over kunstenaar Ger van Elk is een traktatie

ZapVan Elk (1941-2014), pionier van de conceptuele kunst, kreeg een prachtig eerbetoon op tv met de documentaire Adieu á G.

Kunstenaar Ger van Elk in Het Uur van de Wolf (NTR)

‘Het leven van de kunstenaar is best zwaar”, zegt kunstenaar Ger van Elk aan het begin tegen de makers van de aan hem gewijde film Adieu á G. (Het Uur van de Wolf, NTR) Maar even later: „Dat zei ik misschien wel, maar ja, ik zeg zo veel.”

Zo’n man. „Een man die nooit gewoon antwoord op een vraag geeft. Die als je hem filmt, uit beeld loopt. Of juist pontificaal met zijn rug naar de camera gaat staan”, legt regisseur Djoeke Veeninga uit. Inderdaad zie je Van Elk in beeld als een kat rustig rondlopen en rondkijken. Niet afwezig, geen aandacht vragend, maar ook niet van plan om zich aan te passen.

Geen makkelijke klus voor een documentairemaker. Maar het werd nog ingewikkelder, want kort na die opname, in 2013, kreeg Van Elk een herseninfarct. „Kun je zeggen waar je bent en wat er gebeurd is,” vraagt Veeninga hem in het revalidatiecentrum. „Nee, dat kan ik niet. Ik weet niet precies wat er is gebeurd.” Hij spreekt met dezelfde stem, maar er is iets kapot in Ger van Elk. Een jaar later was hij dood.

Veeninga en haar mederegisseurs Marlou van den Berge en Jeroen Visser besloten hun film over Van Elk toch af te maken, waarbij de leidende gedachte een uitspraak van Van Elk zelf was: je moet over de horizon heen kijken. Uiteindelijk zie je wat je wil zien. En, om dat maar meteen te verklappen: over deze horizon willen we meekijken, de film is een traktatie.

Van Elk (1941-2014) was een pionier van de conceptuele kunst, met een kolossale reputatie in het vak. Al nam hij die bewondering ook maar half ernstig: „Niemand heeft een mening hè, in die kunst. Dan horen ze wat een ander zegt, zeggen ze het na en dan zijn ze blij als ze het goed nazeggen.” Toen iemand hem in 1971 naar de rode draad in zijn kunst vroeg, kreeg hij de slappe lach. „Hele serieuze lulligheid”, is een andere karakterisering die valt.

Adieu à G. is een onweerstaanbare reis langs de tientallen werken die Van Elk maakte sinds hij in de jaren zestig met kompanen als Wim T. Schippers besloot andere dingen te doen, zoals museumzalen volstorten met zout onder het motto van „waarachtige oninteressantie”. Het werk schiet heen en weer tussen foto, schilderij en installatie: het blokje hout dat hij op volle zee (de plaats waar de lucht het zuiverst is) wit schilderde; de hangende muur dwars over een cafétafel heen (hanging wall); The Well Polished Floor Sculpture, wat eigenlijk een recept is: zet een driehoek op een museumvloer glimmend in de was, zodat die van verschillende kanten anders oplicht.

Bij dat laatste kunstwerk zien we hoe het onder toeziend oog van de kunstenaar wordt uitgevoerd. Van Elk is niet de man om zelf te poetsen, maar zit zijn assistenten dwingend op de huid: „Daar zit nog een hoekje!” Eigenlijk is hij nooit echt tevreden, al zegt hij met een blik op de glimmende was ook: „Het is wel mooi hè.”

Van Elk vertelt soms over zijn persoonlijk leven. Zijn vriend Bas Jan Ader keerde in 1975 niet terug van een als kunstproject bedoelde oceaanreis in een veel te kleine boot. „Ik vond hem suïcidaal. Ik ben heel boos geworden. Hij was mijn beste vriend.”

In die secure en onsentimentele woordkeus herken je een man die altijd tot de kern wil doordringen, wat uiteindelijk niet verschilt van ‘zien wat je wil zien’. Die man heeft op een late novemberavond een prachtig eerbetoon gekregen: iets waar de zo vaak kijkcijfergeleide NPO zichzelf best een compliment voor mag geven.