Column

Europa kampioen?

Het gebrek aan eenheid van de Europese Unie vormt geen zwakte, maar juist de kracht van Europa, betoogt Robbert Dijkgraaf.

Portret Robbert DijkgraafWeinig droeviger dan een reclame die zijn doel mist. Want als je zelf niet kunt uitleggen wat je sterke kant is, wat zullen anderen dan zeggen? Dat zinkende gevoel kreeg ik tijdens een Brusselse bijeenkomst bij een poster die een positief gevoel over de Europese Unie probeerde over te brengen. Europa stond op het ereschavot afgebeeld als de absolute winnaar van de Olympische Spelen in Rio. Met in totaal 325 medailles stonden de landen van de EU ruim voor op de 121 plakken van de Verenigde Staten en de 70 van China, zo werd ons voorgerekend. Europa was wereldkampioen.

Toen het Europese Parlement vorig jaar een bericht met deze strekking deed uitgaan, waren de reacties uit de lidstaten voorspelbaar negatief. De nationale topsporters hadden weinig hulp gehad van de Brusselse bureaucratie. Met name de Britse pers smulde van deze hoogmoed, koren op de Brexit-molen.

Toch laat de poster welbeschouwd precies zien waarom Europa wél werkt. Niet in een federale utopie, ver voorbij de horizon van de politieke werkelijkheid, maar in de huidige rammelende, onvolmaakte staat. Het is namelijk uiterst onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk, dat ons continent hetzelfde aantal medailles had verdiend als we één afvaardiging hadden gehad. De EU kan nu 28 teams insturen tegen de VS en China één, en deze teams kunnen ook nog eens jarenlang tegen elkaar strijden in de Europese competitie. Sterker nog, de EU zou, logisch gezien, zelfs alle medailles kunnen pakken. Kortom, Europa is juist succesvol bij de Spelen omdat het geen federale staat is, maar een georganiseerde competitie van lidstaten.

De Britten gebruiken dit verdeel-en-heers-principe trouwens slim bij het voetbal, waar het Verenigd Koninkrijk zich ineens zonder probleem in vier landen weet te splitsen. Juist bij het grillige voetbalspel, waarbij veel van het toeval afhangt en kleine landen opvallend ver kunnen komen, geeft dat vier keer meer kans op een medaille. Misschien moeten wij binnenkort ook Friesland afvaardigen.

Mijn punt is het volgende. Soms moet je zaken omdraaien en vaststellen dat een zwakte een sterkte is. Niet een bug, maar een feature. Dit geldt ook voor de brokkelige structuur van Europa, ergens tussen los zand en een blok graniet. Die werkt prima in de topsport. En ook in de wetenschap.

Het is bon ton om over de complexiteit van Europa te klagen. De eeuwenlange geschiedenis van coalities en conflicten; de rijstebrij van culturen en talen; het bord spaghetti aan regels en gewoonten; het gefragmenteerde politieke landschap met de vele breuklijnen, tussen én binnen landen, met een landkaart die meer en meer lijkt op ‘Eurotopia’, de toekomstvisie van Freddy Heineken uit de jaren negentig van een verenigd continent bestaande uit 75 kleine deelstaten.

Maar toch. Als dat eeuwige spanningsveld tussen competitie en coalitie ergens goed heeft gewerkt is dan is het in de wetenschap. Te beginnen bij het begin. De humanistische en wetenschappelijke revoluties van de zestiende en zeventiende eeuw ontstonden in een Europese dialoog, in de befaamde Republiek der Letteren. Al die binnen- en buitengrenzen hebben geleerden nooit tegengehouden dwars door het continent te reizen. De vele talen en culturen bleken geen belemmering elkaars boeken en brieven te lezen. De universiteiten stonden in nauwe verbinding en waren tegelijkertijd in felle competitie. De moderne wetenschap is een geschenk van Europa aan de wereld.

Dit alles geldt ook vandaag de dag. De EU heeft de afgelopen decennia het Europese onderzoeklandschap ingrijpend versterkt. Er is een goede balans tussen brede internationale samenwerkingsverbanden en gerichte subsidies voor individuele topwetenschappers. De European Research Council is een baken van excellentie. Organisaties als de deeltjesversneller CERN en de sterrenkunde- en ruimtevaartorganisaties ESO en ESA zijn lichtende voorbeelden voor de wereld. De intergouvernementele traagheid is juist een voordeel gebleken. Het complexe krachtenveld moedigt onderzoekers aan scherp te zijn en remt de wispelturigheid van nationale politici. De wetenschap heeft behoefte aan een langetermijnperspectief, iets dat de voorzichtige Brusselse cultuur kan bieden, tezamen met een zekere pragmatische flexibiliteit.

Wetenschappelijk gezien scoort Nederland erg goed in Brussel. Op dit moment vloeit via Brussel zo’n 600 miljoen euro per jaar aan onderzoeksgeld de Nederlandse wetenschap binnen – een bedrag te vergelijken met de NWO-begroting en anderhalf keer wat we inleggen. De komende maanden zijn cruciaal. Nu wordt de blauwdruk gemaakt voor de periode na 2020. Er is een ambitieuze visie geschreven : een verdubbeling van het budget voor onderzoek en innovatie, inclusief ambitieuze moonshot-projecten die een breed publiek aanspreken. Als Nederland één ding zou moeten doen, is het vierkant achter dat plan gaan staan. De komende tijd moet Europa haar geld inzetten op onderzoek en innovatie.

Nu Amerika langzaam wegzakt in de zelfgegraven kuil van in een anti-intellectueel klimaat, en China de teugels van vrijheid en democratie strakker aantrekt, is er een unieke gelegenheid voor Europa om in de wetenschappelijke competitie op de eerste plaats te gaan staan. Ik zie de poster al voor me.

Robbert Dijkgraaf is directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton