Column

Een pietzwarte Sint

In het Italiaanse Bari bewaren ze in de basiliek de botjes van de heilige Sint-Nicolaas, die daar op alle plaatjes gitzwart is. Vind ik een geestig kleurtje in dit geval. In zijn tombe ontstaat volgens de overlevering een wonderlijke vloeistof, die jaarlijks door de rector van de basiliek wordt opgevangen. Dat doet hij in het bijzijn van heel veel kerkelijke hotemetoten, die de karaf met dat heilige goedje een voor een heel teder kussen. Dus zeg niet dat die priesters geen seksleven hebben. Later wordt het zogenaamde Santa Manna (zoals de afgetapte rommel heet) verdund met water en in beschilderde flesjes uitgedeeld aan de gelovigen. Men dicht het spul miraculeuze eigenschappen toe. Ik vermoed een soort viagra.

Op de een of andere manier moest ik aan die flesjes denken toen ik die enge Praljak deze week zijn fatale slokje in die Haagse rechtbank zag nemen. De man was duidelijk een Shakespeare-kenner en hield van theater. Ik vond het een te mooi einde voor zo’n enge eikel.

Vroeg me wel af of het voor mij ooit een mooi slot van mijn leven zou zijn. Dat ik aan het eind van mijn allerlaatste voorstelling, liefst in een uitverkocht Carré, tijdens het slotapplaus een slokje neem. Domweg omdat ik niet door de Nederlandse bejaarden- en verzorgingshuizenhel wil. Hoe goed dat Rosa Spier Huis ook is. Gezellig als iedereen eerst nog denkt dat het een grap is. Een knipoog naar de dood van de Kroatische ex-generaal in 2017. Ze mogen hard lachen als ik neerval. Tot men de act wel lang vindt duren en er gevraagd wordt of er een dokter in de zaal is. Die kan even later niets anders constateren dan de dood. Het is maar een idee.

Met dat mysterieuze Santa Manna gaat het in ieder geval niet lukken. Daar zou juist leven in zitten. Dat tappen van dat vocht uit die tombe gebeurt tijdens de Nicolaasfeesten, die jaarlijks van zes tot en met negen mei gehouden worden. Ze zeulen dan ook het beeld van de zwarte Sint door de nauwe straatjes van de Italiaanse havenstad, waarna hij ook nog even in een bootje een stukje de zee opgaat. Daarna wordt hij twee dagen tentoongesteld op het plein waarna hij weer teruggaat naar zijn plek in de kerk. Daar blijft hij tot zes december, de dag waarop ze weer een rondje met hem door de stad lopen. Dat gaat er minder feestelijk aan toe, maar er wordt even hard in hem geloofd als in de lente. Tijdens die Nicolaasfeesten komen er ook heel veel Russen omdat de heilige Nicolaas voor hen heel belangrijk is. Hij was een Byzantijnse bisschop. Dus misschien gaan Thierry en Trump er ook nog wel een keer naartoe.

Ik ga zeker een keer want mijn geloof is rotsvast. Toen mijn ouders mij 56 jaar geleden vertelden dat Sinterklaas niet bestond ging ik dan ook niet akkoord met deze mededeling. Het was gewoon niet waar. Hij bestond wel. En ik wilde er niet over discussiëren. Nee, die Sint van vorig jaar was niet onze buurman en die Pieten waren ook echt. Dat waren niet mijn grote neven. En die cadeautjes kwamen van de boot en niet uit de speelgoedwinkel in de Nassaulaan. Uiteindelijk ben ik twee jaar later, toen er op een gegeven moment drie Sinterklazen door het kleine centrum van Bussum liepen, stampvoetend akkoord gegaan met de gruwelijke waarheid. Hoewel? Elke nacht hoorde ik overduidelijk paardenhoeven op het dak. Die hoorde ik trouwens gisternacht ook nog.

Ik geloof in Sinterklaas. Dit weekend sjouw ik door de Amsterdamse binnenstad om inkopen te doen. Nee, niet via internet!!! Cadeautjes moeten persoonlijk bepoteld en goedgekeurd zijn. Maandag is de dag voor minimaal zeventien gedichten. Geen gemakkelijke vierregelige tutrijmpjes, maar stevige verhalen. Voor iedereen een persoonlijke oudejaarsconference. Met altijd een positieve ondertoon. Want Sint is een vriend en houdt van iedereen.

En dan is-ie woensdagochtend weer weg. Zomaar. Of ik dat jammer vind? Ja. Heel jammer. Ik vind het zo’n leuke tijd. En ik wil in de sinterklaasperiode eigenlijk alleen maar met gelovigen praten. En met niemand anders.

Helaas weet mijn buurmeisje nu ook dat de goede Sint nep is. Teleurgesteld vroeg ze gisteren aan mij: „Maar Dieuwertje Blok? Die bestaat toch wel?”