Recensie

Dwalend op zoek naar de echte X

Karel Capek

In een filosofische roman over een geheel in verband gewikkelde man, laat de grote Tsjechische schrijver opnieuw zien dat objectieve waarheid niet bestaat.

‘Een felle wind blies in vlagen de bomen in de ziekenhuistuin krom.’ Alleen al zo’n beginzin voorspelt weinig goeds. Hij staat in de roman Meteoor van de Tsjech Karel Capek en is de opmaat van een verhaal over de vraag wat je van een ander te weten kunt komen.

Dat laatste klinkt nogal belegen, maar Capek (1890-1938) is een schrijver met een glasheldere stijl en een grote verbeeldingskracht. Het liefst zet hij je op een dwaalspoor om uiteindelijk orde te scheppen in de chaos van het leven. En zoiets pakt altijd heel goed uit.

Het gegeven in Meteoor is simpel. De enige overlevende van een vliegramp (als gevolg van die zware windstoten) ligt zwaargewond in het ziekenhuis. Hij kan amper praten en is van kruin tot hielen in verband gewikkeld. Niemand weet hoe hij er uitziet of wie hij is. De artsen noemen hem X.

Capek onthult die verloren identiteit geleidelijk aan vanuit drie perspectieven, wat tot speelse wendingen leidt. Eerst komt een ‘barmhartige zuster’, een verpleegster, aan de beurt. In een droom is een man in een wit kostuum met een tropenhelm aan haar verschenen. Hij vertelt haar dat hij zijn moeder nooit heeft gekend. Met zijn rijke vader onderhoudt hij een moeizame relatie. Die zuster verzucht op een gegeven moment: ‘Hij is ook zo alleen! Hij heeft niet eens een naam...’ Waarop het commentaar luidt: ‘Alsof een naam je enig houvast bood.’

Over de liefde schrijft Capek, net zoals zijn landgenoot Bohumil Hrabal, nuchter en teder, eigenschappen waarop de Tsjechische literatuur patent lijkt te hebben. Zo vertelt X dat het meisje aan wie hij zijn hart heeft verloren tegen hem zei: ‘Nu ben ik van jou, en alles is goed. Ziezo, dat is het en zo moet het zijn.’ Als het over het afscheid nemen van dat meisje gaat, legt Capek X mooie woorden in de mond: ‘In de manier waarop iemand weggaat, weerspiegelt zich al zijn verwarring of onzekerheid, ofwel zijn onbezonnenheid, zelfbewustzijn, lichtzinnigheid of zelfingenomenheid.’

Het tweede personage dat X zijn identiteit probeert terug te geven is een andere patiënt, een helderziende. Hij grossiert in filosofische theses over X, zoals: ‘Hij zoekt de eenzaamheid om te ontkomen aan de tegenspraak tussen zichzelf en zijn omgeving.’ X komt uit zijn relaas naar voren als een doelloze zwerver uit een tropische wereld van ‘Eilanden. een diepbruin gevoel, iets als brandende koffie, asfalt, vanille, of negerhuid.’ Volgens de helderziende is X opzichter op een suikerplantage geweest. En dan is er weer zo’n mooie zin als: ‘Natuurlijk waren er bij hem in de liefde ook eenzaamheid en tegendraadsheid te vinden, en natuurlijk maakte hij die liefde kapot, zoals hij alles kapotmaakte, uit tegendraadsheid en omdat hij op het punt stond de eenzaamheid te verkiezen.’

Als een schrijver, die het ziekenhuis bezoekt, het stokje van de helderziende overneemt, krijgt het verleden van X veel agressievere contouren. Dit keer word je overgeheveld naar een hitsige wereld van avonturiers, pooiers en hoeren in rokerige Caraïbische kroegen, waar gevochten wordt en niemand aan het leven hecht.

Op die manier speelt Capek met identiteit, zoals hij dat ook doet in zijn eerdere, eveneens door Irma Pieper voorbeeldig vertaalde roman Een doodgewoon leven. En daarmee lijkt hij opnieuw te willen zeggen dat er geen objectieve waarheid bestaat, zeker niet als het over mensen gaat.