De schaduwzijde van adoptie

Kindertehuizen Anouk Eigenraam ging in 2014 naar Zuid-Korea, op zoek naar haar familie. Die vond ze. Ze leerde meer over waar ze vandaan kwam – maar ook over wat er allemaal op grote schaal mis gaat bij internationale adoptie.

Een kind bij Pana, een van de oudste geregistreerde kindertehuizen in Delhi. Jaarlijks worden ongeveer vierduizend Indiase kinderen geadopteerd. Bij een adoptie uit India ligt kinderhandel op de loer. Vorig jaar werd een bende opgerold die kinderen uit ziekenhuizen bleek te kidnappen en te verkopen. . Foto Money Sharma/AFP

Toen ik drie jaar geleden voor het eerst voet op Koreaanse bodem zette, wist ik ongeveer net zoveel over mijn eigen adoptie als over het onderwerp internationale adoptie in het algemeen. Ik wist dat mijn ouders kort na mijn geboorte scheidden en dat mijn moeder met de noorderzon verdween. En ik wist dat mijn vader, nadat hij met mijn tante een half jaar voor me gezorgd had, me ter adoptie afstond toen ik anderhalf was. Hij was bang dat ik, mocht hij hertrouwen, niet zou worden geaccepteerd door een nieuwe vrouw. Tenminste, zo stond het in mijn dossier dat ik van het kindertehuis mee had gekregen.

Dat was wat bezijden de waarheid, bleek bij het eerste gesprek dat ik oktober 2014, inmiddels 37 jaar oud, met mijn vader had in mijn geboorteplaats, bij hem thuis in Incheon, in het Noord-Westen van Zuid-Korea. Mijn vader had me helemaal niet zelf afgestaan; zijn oudere zus had mij achter zijn rug om naar het kindertehuis gebracht, om zijn kansen om te hertrouwen te vergroten. Toen mijn tante hem uiteindelijk vertelde naar welk kindertehuis ze me had gebracht, was ik al in Nederland.

Bovendien ging in die tijd de voogdij bij een scheiding automatisch naar de vader. Het beeld dat mijn moeder me had achtergelaten lag dus wat genuanceerder.

Dat mijn ouders me niet hadden afgestaan, was uiteraard een schokkende ontdekking – hoewel ik wist dat er vaker informatie in adoptiedossiers niet klopte.

Ik begon me af te vragen hoe het kon dat mijn adoptie in feite frauduleus was verlopen. Was er dan destijds geen controle door de Nederlandse overheid? Hoe zit een adoptieprocedure eigenlijk in elkaar? Mijn adoptieouders vertelden me altijd dat het best veel gedoe was om mij te adopteren en dat het zo lang duurde. Daardoor had ik de indruk dat het een gedegen procedure was, op wat incidentele gevallen na.

Toen ik bijeenkomsten bezocht van geadopteerden werd me al snel duidelijk dat het veel vaker voorkwam dat er zaken niet klopten. Ik ontmoette meer volwassen geadopteerden, uit Zuid-Korea maar ook uit andere landen, die er tijdens de zoektocht naar hun ouders achter waren gekomen dat hun dossier niet correct was. Bijna allemaal hadden ze wel een gek verhaal: de een was verwisseld in het ziekenhuis, een ander bleek een tweelingbroer te hebben en weer een ander was volgens het dossier te vondeling gelegd, maar bezocht als volwassene het kindertehuis waar de namen van haar ouders gewoon bekend waren. Hoe kon dit allemaal?

‘Dat was toen’

Toen ik het tehuis een paar dagen na het gesprek met mijn vader bezocht, plaatste de sociaal werker in het kindertehuis in Seoul het gemarchandeer met feiten in de context van de jaren zestig en zeventig. Er werd toen niet zo nauw omgesprongen met de regels, bedoelde ze.

Het wás ook een andere tijd. Idealisme overheerste. Het idee was: er zijn zielige kinderen in arme landen, en die moeten we helpen. Er was nog weinig ervaring met internationale adoptie buiten Europa, regels hoe je dat aanpakte waren veelal nog in de maak. En dus kon iedereen die via via contacten had met kindertehuizen een bureautje of een stichting opzetten en aan de slag gaan als bemiddelaar om ouders voor weeskindjes te zoeken. Dat kinderloze echtparen in Westerse landen daar ook mee geholpen waren, was mooi meegenomen.

Afgezien van de informele en idealistische sfeer waarin de adopties plaatsvonden, gingen er in die periode ontzettend veel kinderen uit Zuid-Korea naar het buitenland: duizenden per jaar. Op het ‘hoogtepunt’ vlogen er jaarlijks zo’n vijfduizend kinderen, wel twintig per werkdag, het land uit. Misschien dat de schaal waarop het gebeurde ook wel ten koste ging van de zorgvuldigheid. De overgrote meerderheid van die kinderen bestond toen allang niet meer uit wezen, anders dan de kinderen die na de Koreaanse Oorlog (’50-’53) kwamen, maar waren kinderen van ongetrouwde moeders, afgestaan wegens het culturele taboe hierop.

Het argument ‘dat was toen’ is ook wat adoptiebemiddelingsorganisaties in Nederland (in adoptiejargon ‘vergunninghouders’ genoemd) steevast aanvoeren als er kritiek is op internationale adoptie. De vergunninghouders krijgen van de overheid voor een aantal jaar een vergunning om de bemiddeling tussen adoptieouders en adoptiekind te mogen verrichten. Het zijn meestal stichtingen of verenigingen. Op dit moment zijn er in Nederland vier actief. Volgens deze private partijen is er inmiddels veel veranderd, waardoor onrechtmatige praktijken amper meer voorkomen. Maar is dat zo?

Het klopt dat er meer eisen en voorwaarden worden gesteld aan aspirant-ouders (in adoptiejargon ‘wensouders’ genoemd) die een kind willen adopteren. Zo moet een wensouder tegenwoordig vijf voorlichtingsbijeenkomsten volgen, moet er een uitgebreid medisch rapport over het adoptiekind in het dossier zitten, is er samen met de overheid in 2008 door de vergunninghouders een ‘kwaliteitskader’ ontwikkeld voor een zorgvuldig proces. En in 1995 hebben tientallen landen uit de hele wereld, waaronder Nederland, in het Haagse Adoptieverdrag internationale afspraken gemaakt om tot een standaard werkwijze te komen om kinderhandel of slecht voorbereide adopties tegen te gaan.

Foto Money Sharma/AFP

Dat verdrag borduurt voort op het uitgangspunt in het VN-Kinderrechtenverdrag dat internationale adoptie een kinderbeschermingsmaatregel is – en een laatste optie als alle andere mogelijkheden zijn uitgeput. Zo moet een land dat is aangesloten bij het verdrag eerst zoeken naar adoptieouders in het land zelf. Maar soms wordt ook geadopteerd uit landen die niet aangesloten zijn bij het verdrag (of die het nog niet geratificeerd hebben, zoals Zuid-Korea). In die landen, met doorgaans een corrupte politieke structuur worden binnenlandse wensouders links en rechts gepasseerd door rijke westerlingen, met name Amerikanen die bij het bemiddelingsbureau een flinke zak geld neerleggen voor een adoptiekind. En daar profiteert iedereen in de keten van: kindertehuisdirecteuren, advocaten die het papierwerk moeten regelen, rechters die de andere kant op kijken.

Internationale adoptie, zo waarschuwde de speciale VN-rapporteur voor kinderhandel en kinderprostitutie Maud de Boer-Buquiccho vorig jaar nog, is een markt geworden waarbij kinderhandel op de loer ligt. Dat het steeds meer een oplossing geworden is voor onvrijwillige kinderloosheid, blijkt ook uit cijfers en trends. Zodra het ene land stopt met internationale adoptie, stijgen de aantallen in een ander land explosief. Toen Guatemala geen adoptie van kinderen meer toestond, steeg het aantal geadopteerde kinderen uit Ethiopië van minder dan 900 kinderen in 2003 naar 4,564 in 2009.

Biologische ouders misleid

Belangrijke onderdelen van het internationale adoptieproces zijn grotendeels hetzelfde gebleven. De Raad voor de Kinderbescherming onderzoekt net als vroeger door middel van gesprekken en een huisbezoek of de wensouders in staat zijn om een adoptiekind een goed thuis te bieden. De aspirant-ouders krijgen vervolgens een ‘beginseltoestemming’ om een kind te mogen adopteren, waarna ze zich bij een van de vergunninghouders op een wachtlijst kunnen laten plaatsen voor een kind uit een van de beschikbare landen.

Het koppelen van adoptieouders aan adoptiekind wordt in Nederland en de meeste andere Westerse landen nog altijd overgelaten aan private bureaus, die werken met ‘contacten’ in de landen waaruit kinderen worden geadopteerd. Wensouders geven hun wensen op – zoals nationaliteit, geslacht, leeftijd en welke mentale en fysieke beperkingen ze aankunnen. De bemiddelaar probeert dit te matchen met een adoptiekind. De controle door de overheid vindt, net als vroeger, pas achteraf plaats.

De kwaliteit van de vergunninghouders varieert sterk. Waar de ene vergunninghouder oogt als een professionele organisatie met tientallen medewerkers in dienst, kan de ander bestaan uit een clubje vrijwilligers. De meeste hebben geen eigen personeel in de landen waar ze bemiddelen en werken met tussenpersonen, die het contact met een lokaal kindertehuis coördineren.

Daar gaat het in de praktijk nog weleens mis. Uit onderzoek dat onder anderen Kristen Cheney in Oeganda voor het Institute of Social Studies verrichtteen Pien Bos voor de Radboud Universiteit Nijmegen in India, blijkt dat afstandsouders (adoptiejargon voor ouders die hun kinderen opgeven ter adoptie) lang niet altijd goed worden voorgelicht. Ze worden soms in de waan gelaten dat hun kinderen na een opleiding in een rijk Westers land weer terugkeren. Ongetrouwde tienermoeders worden onder druk gezet afstand te doen, met de zorgkostenrekening van de bevalling in een geboortehuis als het zwaard van Damocles boven het hoofd. Medische informatie over een mentale of fysieke beperking wordt onvolledig doorgegeven. En in het slechtste geval kan een kind zijn ontvoerd.

Foto Money Sharma/AFP

Op die manier kan een procedure op papier heel gedegen lijken en ‘aan de voorkant’ in Nederland ook goed geregeld zijn, terwijl die aan de achterkant poreus is. Waardoor het voor komt dat een adoptiekindje eenmaal in Nederland een ernstiger fysieke of mentale beperking heeft dan in het dossier staat en een adoptie ‘mislukt’ omdat de adoptieouders daar niet op voorbereid zijn. De vergunninghouder krijgt in zo’n geval in een evaluatie achteraf een tik op de vingers van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, maar het leed is dan al geleden. In zulke gevallen eindigt een adoptiekind bij Jeugdzorg.

Zwakke plekken

De zwakke plekken in de internationale adoptieketen zijn ook een voortdurende bron van zorg voor de Inspectie en de Tweede Kamer. Uit de rapporten van de Inspectie en verslagen van de justitiële Kamercommissies blijkt dat er keer op keer ongerustheid is over de zorgvuldigheid waarmee internationale adopties worden afgehandeld.

Nu de vraag naar het aantal adoptiekinderen uit het buitenland, onder meer door toenemende medische mogelijkheden, langzaam afneemt, komen de vergunninghouders – de bureaus die bemiddelen bij adoptie – zelf onder druk te staan. Hun verdienmodel komt in gevaar en het ontbreekt hen aan capacititeit om beter onderzoek te doen naar waar het kind vandaan komt. Zij zijn voor informatie uit de landen vaak ook weer afhankelijk van het ministerie.

Daarnaast zijn de eisen die aan de vergunninghouders worden gesteld moeilijk meetbaar. Zo moeten ze ‘zoveel mogelijk’ informatie verzamelen over de afstandsouders. Maar wat is ‘zoveel mogelijk’? Die dossiers bleken flinterdun in het geval van de in 2009 opgeheven vergunninghouder Flash – het tv-programma Zembla liet recent zien hoe er in Sri Lanka met adopties werd gerommeld.

Het huidige systeem vergroot het risico op illegale praktijken, vindt VN-rapporteur De Boer. Met name het gebrek aan transparantie bij de bemiddelaars is kwalijk, schreef ze in haar rapport. „Zolang er gebrek aan inzicht is in de bedragen die met internationale adopties gemoeid zijn, blijven financiële prikkels voor illegale adoptie bestaan.”

En dat blijkt, er zijn nog steeds veel misstanden. Zo berichtte persbureau Reuters vorig jaar nog over een bende in India die moeders overhaalde hun kinderen aan hen te verkopen. Ook werd een kliniek aangetroffen waar baby’s werden gestolen door de bevallen moeders te zeggen dat het kindje doodgeboren was.

„Ondanks de maatregelen die genomen zijn om misstanden zo veel als mogelijk uit te sluiten, kan niet uitgesloten worden dat zich onregelmatigheden voordoen”, schreef demissionair minister Blok in oktober op Kamervragen over de wantoestanden in Sri Lanka. Ondertussen zijn er via Flash gedurende dertig jaar een paar duizend adoptiekinderen naar Nederland gekomen. Die kunnen nu, net als ik de afgelopen twee jaar deed, op onderzoek uitgaan of hun adoptie wel rechtmatig is verlopen, mochten ze op zoek gaan naar hun wortels.

Welkom in adoptieland. Een persoonlijke en kritische zoektocht van Anouk Eigenraam verscheen afgelopen week bij uitgeverij De Arbeiderspers.
    • Anouk Eigenraam