De EU behoeft meer oppositie en energie

Europese Unie

Door de huidige crises ondergaat Europa een radicale transformatie. Politiek filosoof Luuk van Middelaar schetst de Europese gedaantewisseling – van ‘regelpolitiek’ naar ‘gebeurtenissenpolitiek’.

Vroeger vonden mensen Europa saai; tegenwoordig maakt Europa heuse emoties los. Vroeger besliste men in Brussel over technische zaken als visquota, CO2-uitstoot en de hoeveelheid suiker die 100 gram muesli op de interne markt mocht bevatten; nu worden er politieke knopen doorgehakt over Europese defensie, grenswachten en een monetair fonds.

De crises van afgelopen jaren en hun politieke inzet maken één ding ondubbelzinnig duidelijk: Europa ondergaat een radicale transformatie. Wie wil begrijpen waarom dit gebeurt en welke gevolgen het heeft, moet het nieuwe boek van politiek filosoof Luuk van Middelaar lezen: De Nieuwe Politiek van Europa. Als adviseur van EU-president Van Rompuy stond hij middenin het EU-bluswater en is nu hoogleraar in Leiden en Louvain-la-Neuve.

Van Middelaar omschrijft de Europese gedaantewisseling als een overgang van ‘regelpolitiek’ naar ‘gebeurtenissenpolitiek’. ‘Regelpolitiek’ draait om regels en wetten, bedoeld om de interne markt te bouwen en in balans te houden. Regels worden bij consensus opgesteld. Op een continent dat in puin lag na twee wereldoorlogen was dit een geweldige vondst, omdat het alles depolitiseerde: zodra ergens een regel voor was, kon de politiek er nauwelijks meer bij.

In dit Europa was de Commissie oppermachtig. Ze was onafhankelijk, bewaakte bestaande regels en stelde nieuwe regels voor. Regeringsleiders kwamen er nauwelijks aan te pas. Nationale belangen, conflicten en keihard lobbyen verdwenen niet, maar werden als ‘vies’ gezien. De naoorlogse Europese integratie teerde op de belofte van een betere, conflictloze toekomst. Het bloedige, politieke verleden, dat waren wij ontgroeid.

Crisistoppen

Toen kwamen de crises. Banken vielen om, landen gingen failliet. Vluchtelingen, later migranten, wandelden met tienduizenden tegelijk Europa binnen. Er kwam oorlog in Oekraïne. Rusland en Turkije werden agressiever. Hiervoor had het ‘regelpolitieke’ Europa geen draaiboek. Nu was ‘gebeurtenissenpolitiek’ nodig. Dit is alles wat regelpolitiek niet is: snel, messy, soms strijdig met Europese principes – politiek, kortom, tot op het bot. Zo elleboogden de regeringsleiders zich een weg naar Brussel, voor crisistoppen. Geen sprake van dat zij Commissie-ambtenaren, hogepriesters van het technische Europa, lieten beslissen over zaken die raakten aan oorlog en vrede.

Van Middelaar, die dit meemaakte vanaf de kant van de ‘gebeurtenissenpolitiek’, kan een sneer naar de hogepriesters zelden weerstaan. Maar hij schrijft terecht dat Europa nu eigenlijk met twéé systemen zit: een technisch en een politiek systeem. Die concurreren, worden verhaspeld, maar vullen elkaar ook aan. Nu moeten ze geïntegreerd worden. Alle spelers moeten eraan wennen – regeringen, Europese instellingen én burgers. Van Middelaar stelt dat een politieker Europa ook een democratischer Europa moet zijn. Brussel is niet ontransparant of ondemocratisch. Verhalen liggen op straat; er is verbazend veel openheid en toegankelijkheid in Brussel. Burgers ‘hebben’ het Europees parlement; ministers en regeringsleiders beslissen in Brussel namens hun landgenoten. Nationale experts vliegen af en aan om hun mening te geven. Maar dit is de trage, wollige democratie van de regelpolitiek, die stoelt op de legitimiteit van expertise en objectiviteit. Dat is wat anders dan de democratie in de lidstaten: clashes met de oppositie, debatten op het scherp van de snede, de mogelijkheid om direct te sturen.

Europa, concludeert Van Middelaar, heeft meer klassieke oppositie nodig: als burgers niet weten hoe ze oppositie kunnen organiseren binnen de EU, zullen ze te hoop lopen tégen de EU. Zie Brexit, het Oekraïne-referendum en andere pogingen tot noodgreep-democratie. Maar Europese democratie is niet simpel te organiseren. Als Brussel draait om expertise, hoe ziet ‘oppositie’ er dan uit? Tot slot geeft Van Middelaar suggesties om ‘verbindende dissensus’ te organiseren. Die ‘bevat niet alleen een ontwrichtende, maar ook een verbindende kracht, een die de Unie een nieuwe energie kan bieden waar gebeurtenissenpolitiek om vraagt.’

Eeuwige legitimiteitsvraag

Ook de Belg Rolf Falter is een insider die democratisering als dé Europese opdracht voor de toekomst ziet. De oud-journalist, die in het Europees parlement werkt, toont in De Geboorte van Europa dat de cruciale legitimiteitsvraag de EU altijd heeft achtervolgd. Falter gaat terug naar de naoorlogse periode – 1945-1958 – en beschrijft minutieus hoe nationale politici dat vredesproject Europa graag wilden, maar elkaar vaak niets gunden. Ze kibbelden over alles. Iedereen denkt vaak dat Europa vroeger harmonieus was, en dat de huidige conflicten dus alarmerend zijn. Falter toont dat Europese politici het in de jaren vijftig nergens over eens waren, terwijl hun economieën in puin lagen en mensen honger leden. De Amerikanen dreigden zelfs de Marshallhulp te schrappen als zij de handen niet ineen sloegen. ‘De patiënt is stervende, terwijl de dokters discussiëren’, zei minister Marshall na reis door Europa.

Falter geeft voor niet-ingewijden teveel details, maar houdt ons een goede spiegel voor: nationale trots, hang-ups en taboes zijn er altijd geweest en zullen er altijd blijven. De EU heeft nooit de macht of ambitie gehad om dit uit te roeien, alleen om het te managen. De EU mag verre van perfect zijn. Maar elke Europese ruzie over de euro of vluchtelingen toont hoe relevant het is dat we haar hebben. Vroeger liepen die dingen militair uit de klauwen.

Dalibor Rohac maakt in Towards an Imperfect Union hetzelfde punt. Rohac, een jonge Slowaak aan het American Enterprise Institute, tackelt hier argumenten van eurosceptici: dat de EU teveel doet, ondemocratisch is en dat je haar grootste pluspunt – de markt – ook zonder EU kunt hebben. Hij toont begrip, maar weerlegt ze, een voor een. Verkwist de EU geld door zoveel aan landbouw te besteden? Ja, maar ‘al zou de hele EU-begroting worden verkwist, zou dit neerkomen op maar 1 procent van het bbp in de EU – een fractie van begrotingen van EU-landen.’ Waren soevereine natiestaten vroeger voorspoediger? Nee: ze voerden moordende competitie, geregeld uitmondend in ‘geopolitieke rampen’. Enzovoort. Rohac probeert niet te ‘vangen’ wat de essentie is van de Unie. Hij wil alleen critici antwoorden en doet dat uitstekend. Het punt is alleen: veel critici willen hier niet naar luisteren. Dit brengt ons terug bij het eeuwige legitimiteitsprobleem van de EU, en de vraag die Van Middelaar opwierp: je kan gelijk hebben, wat moet je als burgers je geen gelijk geven?

    • Caroline de Gruyter