Column

Apart

Marcel

In de basisschool naast ons huis in het dorp, we kijken er vanuit de tuin zo naar binnen, hangen twee levensgrote portretten van Sinterklaas en Zwarte Piet in het trappenhuis. Een beetje zoals in Teheran overal levensgroot Ayatollahs hangen. Ik kijk er iedere dag even naar bij het afval scheiden, iets waarmee ze in deze gemeente hun tijd wel ver vooruit zijn.

De meesters en juffen op het schoolplein gebruiken nog zo’n ouderwetse bel als de lessen beginnen. De ouders verzamelen zich tweemaal daags achter een ijzeren hekje.

Veel rokers.

Veel mannen voor wie het iedere dag papadag is.

Hier geen genetwerk, maar een zwijgend wachten.

Meerdere keren per dag marcheert er een rij kinderen richting de sporthal een paar straten verderop.

Ook dat deed me aan vroeger denken.

Twee aan twee, hand in hand, de leerkracht als een akela voorop.

Wetmatigheden lijken hier niet op te gaan, zo is er een Blokker-filiaal waar het altijd druk is. Ik was er voor een stofzuiger, nou het barstte er weer van de klanten.

„Eigenlijk bestelt iedereen deze”, zei de filiaalmanager, terwijl hij met een vinger op een model van Philips tikte dat als beste scoorde in een test van de Consumentenbond. Een verhaal over zuigkracht en een groene knop waarop je kan drukken als je tijdens het stofzuigen ineens energievriendelijk wil doen.

„U heeft veel klanten”, deed ik vriendelijk bij het afrekenen.

Hij in knauwend Zaans: „Ik ben Francis.”

Het kon natuurlijk, een man met een vrouwennaam, ik had het hier niet verwacht, maar al snel bleek dat hij franchise bedoelde.

„Ik ben franchise, baas over mijn eigen toko.”

Duidelijk.

„Ik trek me geen reet van het hoofdkantoor aan. Eigen baas.”

Nog duidelijker.

Ik liep met de enorme doos naar huis, bij het schoolplein vroeg een vader die er stond te roken of Sinterklaas soms van plan was om langs te komen.

„Ja”, zei ik, „ik ga hem vanavond in een schoentje doen.”

Qua humor kan ik al aardig meekomen, dacht ik tevreden, nu nog zo’n aan alle kanten opgeschoren kapsel en dan val ik niet eens meer op.

Toen een buurvrouw kwam informeren of we soms een oppas nodig hebben, vroeg ze bij het glas wijn om een asbak. Dat waren we in Amsterdam ook ontwend.

Die van ons stond in de schuur, maar dat was onzin.

Kopje azijn in de kamer en niemand had last van rook.

Als we een vloerkleed zochten, konden we dat waarschijnlijk vinden bij de stichting die tweedehandsspullen verhandelde op het industrieterreintje. Ze zat in het bestuur, ze had een hekel aan alle andere vrijwilligers.

Toen ze bij het weggaan de doos van de nieuwe stofzuiger zag staan zei ze dat bijna iedereen die had, maar zij dan toch niet.

„Ik ben altijd al een aparte geweest.”

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.