Column

Jonge schrijvers missen de bravoure om groots te falen

Het afgelopen weekend ging ik naar Venetië om op de valreep de Biënnale te bezoeken en de tentoonstelling van Damien Hirst. Over beide wil ik graag kort iets zeggen.

Als een zondagsdichteres die rare takjes opraapt van straat (‘De mensen zien dat niet, hè. Ze lopen er zo aan voorbij.’) en die in een bloemetjesjurk gaat zitten na-macrameeën met een kopje rozebottelthee (‘Daar word ik altijd ook een beetje geil van. Ja, ik ben zo’n gek mens.’), zo is het merendeel van de zogenaamde kunst op de Biënnale: een vorm van masturbatie. Het is autoreferentiële rommel die het net als de pispot van Duchamp puur van de museale context moet hebben. Het is fantasieloze en vooral slecht gemaakte troep. Dat wordt des te pijnlijker duidelijk door het contrast met de exhibitie Treasures from the Wreck of the Unbelievable van Damien Hirst. Die megatentoonstelling is een overdonderend totaalkunstwerk over waarheid en leugen, mythe en mysterie, kunst, ambachtelijkheid, commercie en kitsch.

Hirsts fantasie opent een wereld als een jongensboek en doet dat met inzet van de allergrootste middelen, gigantische gebaren, technische perfectie en de duurste en duurzaamste materialen. De tentoonstelling biedt een onvergetelijk avontuur dat prangende vragen opdringt aan de bezoeker en is in al zijn machtsvertoon tegelijk een reusachtige opgestoken middelvinger tegen alle collegaatjes die zich kunstenaars wanen op de Biënnale.

Ik ga nu niet zeggen dat ik zo’n gevoelige ziel ben die aan het wankelen wordt gebracht door een schilderijtje, maar ik moet bekennen dat ik nog dagen heb nagedacht over de tentoonstelling van Hirst. Ik zal die gedachten niet met u delen, maakt u zich geen zorgen, behalve dan datgene wat ik mij naar aanleiding van de tentoonstelling bedacht over de staat van de Nederlandse literatuur.

Om te beginnen houden we hier sowieso niet zo van grote gebaren en machtsvertoon. In het land waar Nescio wordt vereerd als een heilige en waar je normaal moet doen omdat je al gek genoeg doet, knikken we goedkeurend bij bescheiden anekdotes die in calvinistische zinnetjes zonder poespas worden opgedist. ‘Houd het bij jezelf,’ zegt de redacteur van de uitgeverij. ‘Houd het persoonlijk.’

Ook de jonge schrijvers, van wie je de bravoure zou verwachten om groots te falen, hebben de neiging kleine boekjes te schrijven waar Thomas de Veen drie ballen voor geeft over hun kleine wereldje rondom Café De Pels of over de o zo herkenbare beslommeringen van de seriële monogamie in de wereld van WhatsAppjes en over wat de protagonist daar dan zoal allemaal bij denkt, bij dat troosteloze geneuk, met zijn zwaarbewolkt gemoed. Het is allemaal leuk voor in het ballenbad op de afterparty van een happening van uitgeverij Das Mag, wanneer het kleine groepje ingewijden zichzelf ongezien mag feliciteren, maar in feite is het een vorm van masturbatie.

Wat ik van mezelf vanaf nu ga eisen is dat ik schrijf zoals Damien Hirst: groots moet het zijn en overdadig, een overweldigende orgie van fantasie met de technische perfectie van de meest commerciële kitsch. Avontuurlijk zal het zijn en het zal de wereld veranderen.