Europees Hof stelt vage regel voor rusttijd bij

Op welk tijdstip moet de ‘ononderbroken minimumrusttijd’ uit een Europese richtlijn, bedoeld om werknemers te beschermen, worden genomen?

Arbeidsmigranten in het Groenflex Hotel in Wateringen (Westland) Foto Robin Utrecht/ANP

De lidstaten van de Europese Unie moeten „de nodige maatregelen treffen opdat alle werknemers voor elk tijdvak van zeven dagen een ononderbroken minimumrusttijd van vierentwintig uren genieten waaraan […] elf uren dagelijkse rusttijd worden toegevoegd”. Zo staat het in de bepaling over de ‘wekelijkse rusttijd’ in de Europese richtlijn over de bescherming van gezondheid en veiligheid van werknemers. Maar wat betekent dat ‘voor elk tijdvak van zeven dagen’? De Portugese rechter, die moet beslissen over een arbeidsconflict over rustdagen, kwam er niet uit en legde de zaak voor aan de hoogste Europese rechter.

Het Europees Hof stelde onlangs vast dat de Europese regel inderdaad niet preciseert op welk tijdstip de ‘ononderbroken minimumrusttijd’ moet worden genomen. In sommige taalversies staat dat de wekelijkse rusttijd „voor” elk tijdvak van zeven dagen moet worden toegekend, in andere versies dat zij „tijdens” dat tijdvak moet worden toegekend. Het Hof heeft deze speelruimte voor de lidstaten nu nader gedefinieerd door zich achter de ‘tijdens’-versie te scharen: de ononderbroken wekelijkse minimumrusttijd van vierentwintig uur, waarop een werknemer recht heeft, moet binnen elk tijdvak van zeven dagen worden toegekend.

www.curia.europa.eu: ECLI:EU:C:2017:844