Argentinië schrijft geschiedenis met eigen ‘Neurenberg’

Rechtszaak

In een megaproces werden 48 verdachten veroordeeld voor misdaden tijdens de militaire junta. Twee van hen voor de infame dodenvluchten.

Van de 54 verdachten kregen er 29 levenslang, 19 kregen kortere straffen en zes werden vrijgesproken, waaronder Transavia-piloot Julio Poch. Foto Javier Gonzalez Toledo

Veertig jaar nadat de eerste lijken aanspoelden op de kusten van buurland Uruguay, zijn de infame Argentijnse dodenvluchten woensdag voor het eerst ook bestraft in eigen land.

De Nederlands-Argentijnse ex-marinevlieger Julio Poch (65) werd weliswaar vrijgesproken van betrokkenheid bij het in zee gooien van politieke tegenstanders van de militaire junta (1976-83). Maar tijdens het megaproces in Buenos Aires stonden naast hem nog drie piloten en een mechanicus terecht voor de vuelos de la muerte. Twee van hen werden wel veroordeeld.

Argentinië schrijft met dit proces geschiedenis, ook internationaal. Misdaden tegen de menselijkheid worden zelden veroordeeld door rechters in het land waar ze gepleegd zijn. Meestal moeten hiertoe gerechtshoven worden opgezet of geschraagd door de internationale gemeenschap. VN-hoven zoals die voor Rwanda, Cambodja en Joegoslavië of dat van de Afrikaanse Unie tegen de Tsjadische dictator Habré. En het oerprecedent: de Neurenberg-processen van de geallieerden tegen nazi’s.

Bevel is geen bevel

Lang zag het er niet naar uit dat Argentinië zo ver zou komen. De waarheids- en verzoeningscommissie die kort na de dictatuur onderzoek deed naar de verdwijningen en martelingen, vond al eerste aanwijzingen voor de dodenvluchten. Maar vervolging van deze en andere junta-misdaden werd in de jaren tachtig onmogelijk door de amnestiewetten Punto Final en Obediencia Debida. De naam van die laatste wet is de Spaanse vertaling van ‘Befehl ist Befehl’. Dit hoewel in Neurenberg juist was vastgesteld dat bevelen van hogerop nooit een alibi kunnen zijn om oorlogsmisdaden te begaan.

De Argentijnse amnestie kwam in binnen- en buitenland dan ook steeds meer onder druk te staan. Zeker nadat in 1996 marine-officier Adolfo Scilingo in een geruchtmakend interview de praktijk van de dodenvluchten tot in detail onthulde. Scilingo kreeg in Spanje in 2005 tijdens een baanbrekend proces 640 jaar celstraf opgelegd.

Lees ook de reportage van verslaggever Marcel Haenen: Piloot Julio Poch na emotionele zitting vrijgesproken

Ongeveer tegelijkertijd begon Argentinië de amnestiewetten af te schaffen en werden de eerste processen aangespannen. De afgelopen jaren werden in tientallen kleine en grote rechtszaken hoge straffen uitgedeeld. Het nu afgeronde proces, dat draaide om een martelgevangenis binnen marineschool ESMA, was daarvan veruit het grootste.

In 2012 begon deze megacausa met 68 mannen in de beklaagdenbank voor in totaal 789 slachtoffers. Veertien van hen stierven sindsdien of werden te seniel om nog terecht te staan. Op enkele uitzonderingen na – waarin celstraffen tussen de 18 en 25 jaar werden gevorderd – eiste justitie steeds levenslang. Van de 54 verdachten kregen er uiteindelijk 29 levenslang, 19 kregen kortere straffen en zes werden vrijgesproken.

Je was erbij, dus je bent erbij

Vijf van de verdachten stonden terecht voor het mede-organiseren en uitvoeren van de dodenvluchten. Een van de belangrijkste doelen van het OM in dit proces was om aan te tonen dat de methode om arrestanten gedrogeerd boven de Río de la Plata in zee te werpen, geen incidenten waren maar een geraffineerde, zorgvuldig geplande en sadistische campagne van de junta om politieke tegenstanders uit de weg te ruimen. Het hele militaire apparaat werkte er aan mee. Je was er bij en dus ben je erbij, stelden de aanklagers.

In 2011 zei Julio Poch in een interview met redacteur Marcel Haenen al dat hij onschuldig was. Woensdag werd hij vrijgesproken. Lees het interview terug: ‘Ik had alleen mezelf in zee kunnen werpen’

In vrijwel alle gevallen bestond het bewijsmateriaal uit verklaringen van getuigen tegen wie de verdachten zouden hebben verteld over de gepleegde misdrijven. ‘Opruimvluchten’, zouden de militairen hun acties hebben genoemd. Lijken waren volgens hen ‘vissenvoer’.

De dodenvluchten waren volgens het OM net zo zorgvuldig uitgevoerd als het stelselmatig ‘stelen’ van de baby’s van zwangere gevangen vrouwen ten tijde van de junta. Zij werden weggegeven aan kinderloze militaire families of vrienden die voor ‘een goede opvoeding’ zouden zorgen. Het verschil met de babyroof is dat van de dodenvluchten geen getuigen zijn. Het bewijs van dit delict is in het water verdwenen. Justitie had in deze gevallen geen andere keuze dan het bewijzen van een soort van groepsaansprakelijkheid voor dit delict. In twee gevallen hebben de rechters die redenering gevolgd, in drie andere niet.

    • Marcel Haenen
    • Merijn de Waal