Prehistorische vrouw was veel sterker

Vroege landbouw

Onderzoek aan duizenden jaren oude opperarmbeenderen laat zien dat vrouwen in de prehistorie veel sterker waren dan vrouwen nu. Dat kwam waarschijnlijk door loodzware maalstenen.

Maalstenen uit de tijd van de vroege landbouw. Het vermalen van graan tot meel met dit werktuig was zo zwaar, dat vrouwen er sterke armen van kregen. Wikipedia

Vrouwen uit de vroege landbouwtijd hadden veel sterkere armen dan moderne vrouwen, of zelfs dan vrouwen uit meer historische tijden, zoals de Middeleeuwen. Dit blijkt uit onderzoek van bijna 100 vrouwelijke opperarmbeenderen uit grotendeels prehistorische Midden-Europese graven, vanaf het begin van de landbouw tot in de Middeleeuwen (5300 voor Chr. tot 850 na Chr). De beenderdikte was alleen te vergeleken met die van moderne vrouwen die semiprofessioneel roeien. Het onderzoek is woendag gepubliceerd in het tijdschrift Science Advances.

Opvallend is dat het onderzoek van benen van vrouwelijke skeletten uit de vroege landbouwtijd geen verschil opleverden met moderne vrouwen. Uit eerder onderzoek is wel bekend dat skeletten van mannen uit de vroege landbouwtijd zich juist door sterke benen onderscheiden van hun vrouwen en van moderne mensen. Die mannen liepen héél veel, tot ongeveer 1500 v.Chr. Hun beenkracht was vergelijkbaar met die van mannelijke veldlopers nu. Waarom mannen in die tijd, aan het einde van bronstijd minder gingen lopen, is niet duidelijk. Het kan wijzen op een grotere arbeidsverdeling, waarbij ambachtslieden minder liepen.

Prehistorisch opperarmbeen Istock

Dat bij vrouwen uit de vroege landbouwtijd de armen bijzonder sterk ontwikkeld waren zou kunnen liggen aan het malen van meel dat in die tijd bijzonder arbeidsintensief was. De onderzoekers in Science Advances citeren antropologische observaties dat het malen met primitieve stenen maalstenen (een ronde steen die heen en weer wordt geschoven over een zadelachtige grondsteen: ‘saddle quern’) bijzonder inefficiënt is en wel vijf uur per dag kost. Dat in de ijzertijd, rond het begin van de jaartelling, de belasting van vrouwenarmen afnam zou dan kunnen worden verklaard aan de hand van de introductie van de veel handigere handgedraaide molens (‘kweerns’). Het malen zou toen, volgens moderne observatie, nog maar twee uur per dag werk kosten.

De onderzoekers in Science Advances zien hun beenderonderzoek als een nieuwe mogelijkheid om iets te zeggen over de arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen in de prehistorie, waarbij overigens het traditionele beeld bevestigd wordt. De mannen legden grote afstanden af, op de velden of met het vee, de vrouwen werkten rondom het huis. De onderzoekers waarschuwen wel dat bij mannen botten veel sneller en intensiever reageren op belasting dan vrouwen, zodat uit hun geringere beenkracht niet perse kan worden afgeleid dat ze weinig liepen.