Een jas is voor Christian Boltanski als een lichaam

Kun je dichterbij een kunstwerk komen door eraan mee te werken? Redacteur Bianca Stigter gaf haar jas aan Christian Boltanski voor zijn kunstinstallatie ‘Na’ in de Oude Kerk in Amsterdam.

Christian Boltanski creëerde een nieuwe compositie in de Oude Kerk. Foto Roger Cremers

Het moest een zwarte of een donkerblauwe zijn, geen nieuw maar juist een gedragen exemplaar waarin al winters getrotseerd waren. Ik zag het op Facebook voorbij flitsen: een oproep om een jas te doneren voor een tentoonstelling in de Oude Kerk, het gebouw op de Wallen dat al eeuwen een ode aan de ruimte is. Nergens in Amsterdam is zo duidelijk dat architectuur het afbakenen van leegte is. Zeker als het buiten druk is, en dat is het vaak in de rosse buurt, is de gotische kerk een vrijplaats voor licht en lucht, voor schemering, voor schaduw, voor bijna niets eigenlijk. Dat niets kun je hier ondergaan. Het stelt nooit teleur. Rust.

De kerk is nog in gebruik als kerk; elke zondag zijn er twee diensten. Sinds zes jaar is het gebouw ernaast doorlopend in gebruik als tentoonstellingsruimte, een van de interessantste van Amsterdam. Veel kunstenaars lieten de ruimte zoveel mogelijk vrij. Germaine Kruip, Marinus Boezem en Sarah van Sonsbeeck wisten hem allemaal te vullen en toch leeg te laten.

Nu wordt er om jassen gevraagd. Zal wol en fleece het zicht op het niets gaan ontnemen? Ik verbeeld me al de geur te ruiken; muf menselijk, terwijl het mooie van de kerk nu juist is dat er nauwelijks mensen zijn – al liggen ze er wel. De kerk is tot in de negentiende eeuw een begraafplaats. Onder de stenen lagen ooit de overblijfselen van twintigduizend mensen. Nu zijn de graven, die de kerk deden stinken, geruimd, al is de vloer nog een mozaïek van grafstenen. Soms is er nog een naam op te lezen, nog niet weggesleten door de stappen die er sindsdien op gezet zijn. Moet die ruimte gevuld worden?

Om te huilen

Christian Boltanski in de Oude kerk in Amsterdam. Foto Roger Cremers

Maar om jassen wordt wel gevraagd door Christian Boltanski, de Franse kunstenaar die van het verbeelden van verleden aangrijpende kunstwerken maakt, al sinds 1969. Boltanski noemt zichzelf een sentimentele minimalist en inderdaad, zijn kunst is kunst om bij te huilen. Ongegeneerd. Alsof je Bach hoort.

Soms is het verleden dat hij zichtbaar maakt heel concreet, zoals bij het monument dat hij in 1990 in de Grosse Hamburgerstrasse in Berlijn maakte. Op de muren naast een in februari 1945 gebombardeerd huis kwamen de namen en beroepen te staan van de mensen die in dat huis gewoond hadden. Soms is het diffuser, zoals bij de grote installatie in het Grand Palais in Parijs in 2010, waarvoor hij ook al kleding gebruikte; vijftig ton tweedehands kleding, waarvan een deel als een grote berg in het midden van de tentoonstelling stond. Een monument voor iedereen.

Begin november breng ik een zwarte jas naar de kerk, een regenjas weliswaar, maar een die ik dankzij de klimaatverandering de winter vaak gedragen heb. Bij de ingang wordt hij enthousiast in ontvangst genomen.

In de kerk is de opbouw van de tentoonstelling van Boltanski al bezig. Hij heeft de ruimte niet leeg gelaten. Jassen zijn er nog niet te zien. Wel zijn rechthoekige dozen van divers formaat door de hele kerk opgesteld. Ze zijn overdekt met zwart plastic en maken van de anders zo lege ruimte een druk doolhof.

Gerafeld zwart

In de doopkapel staat nog een werk van de vorige exposant, de Indonesische kunstenaar Iswanto Hartono. Het is een van was gemaakte replica van een standbeeld van Jan Pieterszoon Coen. De kaars is aan, en Coens hoofd is bijna weggesmolten. Hartono bevroeg zo de omgang met het koloniale verleden, dat ook in de kerk aanwezig is in de graven van allerlei zeevaarders.

Zou Boltanski met zijn installaties ingaan op de specifieke geschiedenis van Amsterdam? In zijn werk is de Holocaust nooit ver weg, in het onderwerp of in de vormgeving. De hopen kleding roepen bijvoorbeeld onmiddellijk beelden van concentratiekampen op, van stapels schoenen, brillen en mensen.

Alle jassen lijken op elkaar en alle donkere winterjassen helemaal. Twee dagen voor de opening van de tentoonstelling ben ik weer in de kerk en tussen alle jassen zoek ik de mijne samen met Jacqueline Grandjean, sinds 2012 directeur van de Oude Kerk. De jassen heeft ze vooral onder buurtbewoners geworven, om ze te betrekken bij de kerk. Ik zie dof zwart en glimmend zwart, gerafeld zwart, glad zwart, zacht zwart, zwaar zwart, licht zwart, gekreukeld zwart, gespikkeld zwart. Nauwelijks blauw. Op de grafstenen in het midden van de kerk liggen zo’n dertig jassen uitgespreid, de mouwen wijd, alsof er mensen voorover zijn gevallen, en in het hoge koor hangen er nog 14 over de leuning van stoelen die door de ruimte heen zijn neergezet.

„Een jas is als een lichaam”, zal Boltanski de volgende dag zeggen. „Het is ook als een tombe. Afwezigheid in aanwezigheid.” En dan hangen er nog jassen over een soort stangen waaruit als een hoofd een lampje tevoorschijn komt. „Zeg eens, was je alleen?” Als je langs zo’n lampmens loopt, stelt zij je een vraag. „Zeg eens, heb je gebeden?” „Zeg eens, heb je jezelf bevuild?” „Was je in paniek?”

Ik kan mijn jas niet vinden. Hij zit er niet bij. Grandjean vertelt dat niet alle ingekomen jassen gebruikt zijn. Sommige waren niet geschikt, te kleurig, vooral. Of geen winterjas. Ze mochten niet uit de toon vallen. Ben ik teleurgesteld? Ik weet het niet. De jas zoeken was in ieder geval een les in het vinden van verschillen en gelijkenissen – waar ook Boltanski’s werk van doortrokken is. Wanneer leg je de nadruk op het individu, wanneer op de groep? Hoe hef je dat onderscheid op?

Misschien is het maar beter dat mijn jas er niet is. In de kunst leer je juist om je met anderen te identificeren, om je eigen jas uit te doen. Dan geeft Grandjean me een boekje met 8.500 namen. Het zijn de namen die nu nog bekend zijn van de duizenden die in de kerk begraven zijn. Snel blader ik naar de S. En ja, na een Stickelsdr, twee Stickers, twee Stiffry’s en een Stigt staat er een Stigter in, geen Bianca maar Adriana.

Langzaam fluister ik haar naam. Een van de zwarte kisten, tombes volgens Boltanski, is een opnamehokje. Daar kan elke bezoeker van de tentoonstelling een rij namen van de ‘lijst van begraven personen in de oude kerk 1396-1865’ in een microfoon fluisteren. De fluisteringen zijn tijdens de tentoonstelling te horen in het hoge koor in het midden van de kerk. Daar zit nu ook Boltanski, in een dikke zwarte jas met capuchon afgezet met bont. Hij exposeert graag in kerken, vertelt hij. „Liever dan in musea. Ik ben niet gelovig maar een kerk is voor mij wel een plek om vragen te stellen. Ik heb als kunstenaar geen antwoorden, alleen maar vragen.”

‘Zeg eens, heb je geleden?’ De tentoonstelling in de Oude Kerk heet Na. De bezoekers worden erin aangesproken alsof ze al dood zijn. Alsof Bianca al Adriana is. Boltanski ziet de dood altijd. „Namen zijn een manier om te laten zien dat iedereen uniek en belangrijk is. Wie zijn naam wordt afgenomen, zoals in de Holocaust gebeurde, wordt zijn menselijkheid afgenomen. Dan ben je niemand meer.”

De namen lijken steeds harder gefluisterd te worden. Aldewerelt, hoor ik. Daar zijn er wel twintig van, van Geertruyde Aldewerelt tot Jacob Aldewereld met daartussen vijf Pieters en drie Adriaens.

Ik vraag Boltanski of hij zich zorgen maakt over de herdenking van de 11.500 in de kerk begraven mensen wier namen niet bewaard zijn gebleven. „Voor hen luiden er klokjes. In Japan gelooft men dat elk klokje het geluid van een ziel vertegenwoordigt.” De klokjes zijn te horen en te zien op een video die ook in de kerk vertoond wordt. Eerder maakte hij een beter antwoord: in 1999 stelde hij alle telefoonboeken ter wereld samen ten toon, in een poging alle mensen die leven in één ruimte bij elkaar te brengen. Het is een ontzagwekkend futiel verweer tegen anonimiteit.

Boltanski laat steeds opnieuw, in elke installatie, zien hoeveel mensen er zijn en hoe onmogelijk het is die allemaal te kennen of te herdenken, hoe uniek en belangrijk ze ook zijn.

Dit is mijn zwart. De dag na de opening zie ik mijn jas alsnog. Hij hangt over een klapstoel in het koor, vlak naast de bank waar ik gisteren Boltanski gesproken heb. Niet te missen. Het is niet nodig op het wasvoorschrift aan de binnenkant te kijken, waar ik voor de zekerheid mijn naam in had geschreven. Dit is mijn jas. De jas is nu van Boltanski, van iedereen, hij mag opgaan in het grote geheel. Ik hoef hem niet terug.