De universiteit is geen consultant

Wetenschappelijk onderzoek

Shell, AkzoNobel, DSM, Philips en Unilever financierden in 2009 anoniem een rapport over lagere lasten voor bedrijven. De Erasmus Universiteit Rotterdam laat nu onderzoeken hoe nauw haar banden met het bedrijfsleven zijn.

Afstudeerders van de Rotterdam School of Management (RSM) lopen in optocht door de binnenstad van Rotterdam.

Schuurt de Rotterdam School of Management te dicht tegen het bedrijfsleven aan? Universiteiten werken veel samen met het bedrijfsleven en het kabinet wil deze financiering van onderzoek uitbreiden. Maar een universiteit is geen gewone consultant en moet zich houden aan codes van wetenschappelijke onafhankelijkheid.

Een onafhankelijke commissie gaat daarom onderzoek doen naar de banden tussen de Rotterdam School of Management, onderdeel van de Erasmus Universiteit Rotterdam, en grote Nederlandse bedrijven, waaronder Shell. Het gaat ook over de vraag hoeveel invloed Shell heeft op het curriculum en het ‘profiel’ – de vereiste kwalificaties – van de studenten van de Rotterdam School of Management.

De commissie voor wetenschappelijke integriteit van de Erasmus Universiteit is vorige maand bovendien begonnen aan de behandeling van een klacht tegen Henk Volberda, hoogleraar strategic management aan de Rotterdam School of Management. Aanleiding daarvoor was het niet vermelden van Shell als mede-opdrachtgever voor Wederzijds Profijt, een rapport uit 2009 over lagere lasten voor grote bedrijven met hoofdkantoren in Nederland.

Shell betaalde 300.000 euro

Dat kwam aan het licht door onderzoek van de milieu-activist Vatan Hüzeir (31), tevens junior docent sociologie aan de Erasmus Universiteit. Van het College van Bestuur had hij met zijn organisatie Changerism opdracht gekregen om onderzoek te doen naar de banden van de Erasmus Universiteit met het bedrijfsleven. Hüzeir hield zich niet helemaal aan de oorspronkelijke opdracht. Omdat Changerism zich met het klimaat bezighoudt, concentreerde Hüzeir zich op bedrijven voor fossiele energie (pdf). Hüzeir vroeg via de Wet openbaarheid van bestuur stukken op over samenwerking met energiebedrijven.

En zo stuitte Hüzeir op onbekende mede-opdrachtgevers voor Wederzijds Profijt, waar alleen werkgeversorganisatie VNO-NCW op de omslag stond. Maar ook Shell, AkzoNobel, DSM, Philips en Unilever bleken erachter te zitten. In het rapport stonden argumenten voor belastingverlichting voor de honderd grootste bedrijven met het hoofdkantoor in Nederland. Het zou die bedrijven om ‘tax and talent’ gaan: lage lasten en getalenteerd personeel.

De toenmalige president-directeur van Shell Nederland, Peter de Wit, betaalde 300.000 euro, bleek uit opgevraagde rekeningen. De Wit tekende ook mede namens de andere partijen de opdrachtbevestiging en was tevens een van de voor dit onderzoek geïnterviewde topmensen.

Volgens de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, waar klachten aan worden getoetst, moeten alle opdrachtgevers bij naam worden genoemd.

Als eerste concrete stap voor grotere transparantie over de zogeheten ‘derde geldstroom’ heeft de Erasmus Universiteit inmiddels een register ingesteld over samenwerking met derde partijen. Achteraf – „met de kennis van nu” – noemt hoogleraar Volberda tegenover NRC het niet melden van de vijf grote bedrijven „een absolute schoonheidsfout”.

Thematiek

Volgens een woordvoerder van VNO-NCW is het onderzoek van Volberda maar door een beperkt aantal leden van VNO-NCW betaald, „zodat leden voor wie de thematiek in mindere mate speelt niet worden belast. Het is een representatief onderzoek voor een belangrijk deel van onze achterban, vandaar dat wij opdrachtgever waren”. Volgens een woordvoerder van Shell was „VNO-NCW als overkoepelende organisatie opdrachtgever en heeft Shell de administratieve afhandeling verzorgd”.

Later vond het rapport Wederzijds Profijt zijn weg in het internationale wetenschappelijke tijdschrift Long Range Planning in 2012. Het artikel werd geschreven door Volberda en drie collega’s van de Rotterdam School of Management. De opdrachtgevende bedrijven AkzoNobel, Shell, Philips en Unilever werden daar alleen in genoemd als voorwerp van onderzoek. Bestuursvoorzitters en medewerkers waren uitvoerig geïnterviewd.

Hüzeir meldde in zijn klacht dat Volberda het argument dat lage lasten een belangrijke vestigingsvoorwaarde zijn, later als lid van het zogenoemde ‘topteam hoofdkantoren’ gebruikte. Het team moest er in opdracht van het Rijk voor zorgen dat Nederland een topvestigingsplaats voor de vijfhonderd grootste bedrijven zou blijven. Hun werk resulteerde in 2010 in de introductie van de Innovatiebox, een fiscale aftrek voor onderzoek en ontwikkeling ter waarde van 500 miljoen euro die voor zeker 60 procent aan grote bedrijven ten goede kwam. De invoering van de box werd later door het Centraal Planbureau bekritiseerd.

Formulering is ‘ongelukkig’

Afgezien van de „schoonheidsfout” van het niet vermelden van opdrachtgevers vindt Volberda niet dat hij verkeerd heeft gehandeld. Hij wacht de resultaten van de onderzoeken „in goed vertrouwen” af.

In een overeenkomst uit 2012 stond dat Shell „invloed” zou krijgen op het curriculum en het „profiel” van de studenten van de Rotterdam School of Management. De woordvoerder van de Rotterdam School of Management zegt dat die zin „er wat ongelukkig staat”. „Dat gebeurt heden ten dage absoluut niet meer”, zegt zij. Maar, voegt ze daaraan toe, „we moeten wel voldoen aan de behoeften van het bedrijfsleven. We moeten studenten zo goed mogelijk helpen de arbeidsmarkt op te gaan”.

Hüzeir is het type milieu-activist dat effectief met onderzoek en procedures werkt. Naast zijn studie en zijn docentschap was hij actief voor duurzaamheidsorganisatie Urgenda. Met succes voerde hij actie om pensioenfonds ABP belangen in bedrijven in de fossiele energie te laten verkopen. Voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen deed hij mee aan een onderzoek naar de publieke ontvangst van klimaatwetenschappelijke inzichten. Volgend jaar begint hij zijn promotie-onderzoek sociologie aan de Erasmus Universiteit naar burgerinitiatieven op het gebied van energie.

„Het is een situatie waarin een publiek gefinancierde instelling bijdraagt aan het bedrijfsresultaat van Shell”, zegt Hüzeir over de conclusies van zijn huidige onderzoek. De geciteerde stukken geven een zeldzaam inkijkje in universitaire samenwerking met het bedrijfsleven, of dat nu al of niet in strijd is met wetenschappelijke codes.

Toenmalig minister Jet Bussemaker (Onderwijs, PvdA) schreef in juni aan de Tweede Kamer dat zij het zelfreinigende vermogen van de Rotterdam School of Management vertrouwt, maar dat zij de Inspectie van het Onderwijs een eigen onderzoek zal laten instellen als het onderzoek van de zelf ingestelde commissie niet tot heldere uitkomsten leidt.

    • Maarten Huygen