Waarom krijg je een theelichtje dat bijna op is, soms niet aan?

Wekelijks zoekt de redactie wetenschap een antwoord op een veelgestelde vraag. Deze week: waarom krijg je een theelichtje dat nog resten was heeft soms niet meer aan het branden?

Istock

De dagen zijn donker, maar in vele huiskamers schenken de kaarsen hun warme licht. Met de Denen en de Duitsers zijn de Nederlanders in Europa de grote kaarsenbranders in de dagen voor Kerst; de adventstijd is zondag begonnen. De rest van het jaar zetten we net als de Britten kaarsjes onder de theepot.

Die rondjes van was – in een aluminium bakje van 4 cm doorsnede – heten dan ook theelichtjes. Een lichtje brandt een uur of wat en dan doof je het. De keer erna steek je het weer aan; dat herhaal je totdat de was op is. Maar soms lukt het opnieuw aansteken van het lichtje niet, ook al ligt er nog een laagje was op de bodem. Hoe kan dat?

Eerst maar eens zien of de observatie geen toevalligheid is geweest. We verzamelen van verschillende aanbieders theelichtjes, die 6 uur zouden moeten meegaan. We laten de eerste reeks helemaal uitbranden op op kamertemperatuur (20 graden). Een enkel lichtje haalt de 6 uur, de meeste lichtjes net niet; de was is in de meeste gevallen helemaal weg.

Pit van het theelichtje zit in het midden om brand te voorkomen

Dan wordt bij een andere test het branden na 4 uur onderbroken; het opnieuw aansteken lukt een dag later prima. Slottest: we onderbreken het branden van een nieuwe serie lichtjes na 5 uur; het opnieuw aansteken lukt bij geen enkel lichtje meer. Op alle bodems ligt nog wat was.

Wat die was is, zeggen de verpakkingen niet. Navraag bij fabrikanten leert dat het hoofdbestanddeel paraffine is, een aardolieproduct. Mike Beekers van de Bredase Kaarsenfabriek vertelt:

„Paraffine is eigenlijk een restproduct van smeerolie voor auto’s. Doordat auto’s steeds minder olie gebruiken is ook paraffine schaarser en duurder geworden.”

Mede daarom wordt de paraffine aangevuld met stearine, was van dieren (rund) of planten (palm).

Hoe die was ontbrandt, is na te lezen in een uitgebreide studie uit 2004, waarin twee Duitse scheikundigen zich uitleven in fraaie details. Zoals dat het verbranden van de paraffine in een kaars – of in het bakje aluminium – volgens hetzelfde mechanisme verloopt als het ‘kraken’ van nafta bij de productie van ethyleen.

Cruciaal voor de verbranding is de pit, die als ‘ziel van de kaars’ wordt aangeduid. De pit bestaat uit strengen katoenvezels die in elkaar zijn gedraaid. Als de pit is aangestoken, laat het vlammetje de bovenste laag was smelten. De pit zuigt vervolgens de gesmolten was op en laat die in de vlam verbranden.

Het smeltpunt van de was ligt tussen de 45 en 55 graden. De temperatuur in de vlam ligt tussen de 800 en 1.000 graden. Als de vlam te klein is of de omgeving te koud, kan de warmte te weinig zijn om de was aan de rand van het bakje te laten smelten. Dat zie je bij theelichtjes die buiten in de kou staan. Bij goede lichtjes op kamertemperatuur zie je het vloeibare waslaagje geleidelijk dalen en verbranden.

De pit is in het midden van het bakje verankerd in een pitplaatje. Reinier Grimbergen van Bolsius, de grootste kaarsenfabrikant van Europa legt uit waarom:

.„Dat is van belang voor de veiligheid, omdat het gevaarlijk is als een vlam bij de rand zou branden. Het bakje kan dan heel heet worden.”

Het pitplaatje heeft een kleine verhoging, waardoor de pit iets boven de waslaag staat als het lichtje bijna op is. Grimbergen: „Zolang de was vloeibaar is, kan de pit die blijven opzuigen. Is dat kleine laagje gestold dan kan de vlam de was niet meer laten smelten.” En steek je het lichtje tevergeefs aan.

    • Karel Berkhout