Opinie

    • Maxim Februari

Vroeg of laat komt fantoomsoftware spoken

Het grootste probleem in de wereldgeschiedenis is rommel. Afval, puinhoop, rotzooi. Er is veel aandacht voor het recyclen van afgedankte telefoons, maar in de praktijk heb je vaak grotere problemen dan je oude telefoon. Ik kan me herinneren dat mijn ouders ooit een huis kochten waarbij ze in de tuin een paar verloren motoren opgroeven en een halve auto. De dorpsbewoners hingen gretig over het hek om te zien of er misschien een lijk kwam bovendrijven.

Overal zit nasleep in de grond. En die blijft niet beperkt tot dode dingen. In mijn eigen heg bleek zich een paar jaar geleden een diepe put te bevinden, waarin volgens het gerucht een dode soldaat lag. Ooit was het gat bedoeld geweest als schuilplaats en het was wel zeer waarschijnlijk, zei het gerucht, dat de soldaat vergeten was weer bovengronds te komen. De mannen die het gat dicht kwamen gooien durfden haast niet te gaan kijken, maar uiteindelijk bleek alle opwinding voor niets. Geen dode Duitsers, geen kliekjes van de oorlog. Alleen dat gat.

Zo laat de geschiedenis schillen en dozen achter, volle en lege. In de goot van het verleden liggen verlopen dictators en afgedankte regimes naast de abstractere resten van de voorbije tijd, roestige bestuursstructuren en beschimmelde democratische processen. De oude Grieken vermaakten zich al met de gedachte dat alles steeds verandert, maar gaandeweg groeit het besef dat met verandering vuilnis komt. Plastic zakjes. Een heel klimaat aan flarden. Ravage. Repercussies.

En dus ontstaat tegenwoordig ook belangstelling voor de ‘abandonware’ die begraven ligt in de bodem van de digitale wereld. Software die in de geschiedenis is achtergebleven. De dingen, de hardwarecomponenten, slingeren nog wel gewoon rond in de analoge wereld: computers en diskettes belanden ouderwets samen met afgedankte matrassen op de vuilnisbelt. Verlaten software, daarentegen, komt niet op tastbare vuilnishopen terecht; die ligt te vergaan in de donkere spelonken van de digitale geest.

Daar trekt hij al een tijdje de belangstelling van archeologen: er komt een hele industrie op gang van liefhebbers die oude programma’s en talen opgraven. Als kostbaar erfgoed dat moet worden behouden. De archeologen beschouwen de afgedankte resten niet als afval, maar als cultuurschat, en vandaar dat ook Unesco in beweging komt en begint te spitten. Die wil zulke programma’s niet in een museum zetten, maar is van plan ze te reanimeren en te zorgen dat ze blijven doen wat ze altijd deden. Voor je het weet, kan de cultuur door al die dode programma’s haar oude data niet meer lezen, en dreigt ze verloren te gaan door digitale amnesie.

Commerciëlere types zijn in de vondsten geïnteresseerd vanwege het geld en de rechten. Zitten er nog eigendomsrechten op die dode programma’s? Krijg je toestemming er zelf weer leven in te blazen? Ze kijken tevergeefs om zich heen of ze ergens een belanghebbende zien. Abandonware, lees ik ergens, valt onder het begrip ‘verweesd werk’. En dat is volgens de definitie van het auteursrecht werk waarvan de ouders zoek zijn; misschien hebben ze hun eigen schepping in de steek gelaten of hebben het ze het bij de geboorte al niet erkend.

Voor de commerciële speurders is verweesde software dus geen dode cultuurschat maar een soort Klein Duimpje. Ze vragen zich af wie de verantwoordelijkheid ervoor heeft. Moeten ze het zieltogende kind misschien zelf in huis halen? Opkalefateren? Ze rekenen uit hoeveel dat zou kosten en vooral wat het ze oplevert.

Maar de spannendste vragen leven onder de softwarescheppers zelf. Die zijn hun schepping allang uit het oog verloren; ze weten dat het nog ergens slingert, dat het verwaarloosd is geraakt en in verval, maar ze weten niet goed meer hoe het eruitziet. Als ze dat al ooit hebben geweten. Ze snappen dat de eenentwintigste eeuw vraagt om reparatie en behoud, om kringloopdenken en hergebruik, maar kunnen het spoor niet terugvinden en zijn allang niet meer tot oplappen in staat.

Verandering gaat met vuilnis gepaard. Sommige makers van software zien om naar de resten van hun werk en liggen dan wakker van de repercussies. Hun programma’s zijn geen dode dingen die in vrede rusten; ze zijn ondood en komen spoken. Ontsnapt aan hun computers, die ergens in een tuin liggen begraven, leiden ze een fantoombestaan in de digitale ruimte. „Dat is iets waar ik weleens de rillingen van krijg”, schreef een van die auteurs me laatst. De mensheid die koel en zakelijk voorwaarts raast en daarachter een spoor van plastic tasjes, afgedankte politieke rechten, lekkende olievaten en abandonware die als zombie onder ons bed ligt te wachten tot de tijd rijp is.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl

    • Maxim Februari