Eigenlijk zijn de Deltawerken nooit voltooid

De Oosterschelde verandert al eeuwen van gedaante. Het is een illusie dat we dat met de Deltawerken onder controle hebben. Zeeuw en zeiler Hans Steketee beschrijft hoe het water Zeeland heeft gevormd.

Wouter van Vooren fotografeerde één dag lang de zee ter hoogte van de Deltawerken in Zeeland. Foto Wouter van Vooren

Links knippert de vuurtoren van Haamstede door de regen. Recht vooruit veegt die van Westkapelle drie keer per minuut langs het wolkendek. Tussen die twee torens, tussen Schouwen en Walcheren, ligt de monding van de Oosterschelde. Het idee was: vanuit Scheveningen langs de Zeeuwse eilanden zeilen, in één keer door, richting Frankrijk. Het is juli, maar op zee is het geen zomer. Het waait hard uit het zuidwesten. En uit diezelfde richting komt nu ook de ebstroming. Het loopt tegen middernacht. En we maken nauwelijks voortgang. Nog een uur of vijf zo doorploeteren tot het tij draait heeft weinig zin. Dus valt het besluit de Oosterschelde in te varen en daar aan te leggen voor een paar uur slaap.

Eb betekent ook dat het Oosterscheldebekken leegloopt en dat we daar nog steeds stroom tegen hebben. Zo kruipen we de laatste mijlen naar binnen. Tergend langzaam komen de lichten van de stormvloedkering dichterbij. Als we ten slotte voor de sluis liggen is het half drie. Een sirene jankt en de sluis schuift open. Als enigen varen we de betonnen spelonk binnen. Zout en nat meren we af, pal achter de kering, waar ook de donkere bootjes van de dagvissers liggen.

„De stormvloedkering is gesloten. De Deltawerken zijn voltooid. Zeeland is veilig.” Met die woorden stelde koningin Beatrix in 1986 de Oosterscheldekering feestelijk in bedrijf: 62 kleppen die het getij in en uit laten stromen, maar bij stormvloed gesloten kunnen worden. Het markeerde inderdaad het officiële einde van de Deltawerken in Zeeland, het sluiten van de zeegaten en een reeks andere maatregelen ‘tegen het water’, die werden genomen na de Watersnoodramp van 1953. Toch was de koningin voorbarig.

Want het werk aan de delta is sindsdien gewoon doorgegaan. Net als het debat over de vraag of Zeeland echt veilig is (en wat ‘veilig’ betekent). Als de zeespiegel sneller stijgt dan destijds werd berekend, kan binnenkort al blijken dat de Oosterscheldekering de tekentafelleeftijd van 200 jaar nooit zal halen. Dan was die kering alleen een tijdelijke oplossing.

Was het ooit anders? Een verleidelijke gedachte voor wie de Landschapsatlas van de Oosterschelde inkijkt, een monumentaal boek dat komende week verschijnt. Aan de hand van – onder meer – een schat aan historische kaarten laat het in meer dan 400 pagina’s zien hoe het landschap van de Oosterschelde de afgelopen eeuwen is gegroeid, door natuurkrachten en menselijk handelen. Zout water uit zee, zoet water ‘via de achterdeur’ uit de grote rivieren. Een estuarium dat altijd machtiger is geweest dan zijn bewoners. En met een unieke ecologie waarvan pas een paar decennia het belang wordt gezien. Een delta ook die continu van gedaante verandert en niet alleen fysiek; iedereen ziet steeds een andere Oosterschelde. Daaraan, zo laat de Atlas zien, zal ondanks al die vermeende maakbaarheid van de delta, geen einde komen.

Dijken sinds de Middeleeuwen

Sinds de vroege Middeleeuwen worden er dijken gebouwd in Zeeland. Om bestaand land tegen het water te verdedigen en om nieuw land te winnen. Sisyfusarbeid, want sindsdien is er netto meer land verloren gegaan dan erbij kwam. In de nieuwe polders achter de dijk daalde de bodem. Vóór de nieuwe dijk was steeds minder ruimte voor water en liepen waterstanden bij stormvloed steeds verder op. Zwakke dijken, en daar waren er veel van, braken. Reimerswaal, Orisant, Zuidland, Koudekerke; zoek hun namen op de kaarten. De Oosterschelde is voor de helft verdronken land.

Die oude kaarten laten nog iets zien. Stadjes en dorpen lagen als scherp afgetekende eilanden in het omringende land tussen hun vestingmuren. Maar de overgang tussen water en land was vaag. Schorren en slikken vallen droog en lopen onder met het tij, water en land lopen permanent in elkaar over. Dit was een vloeibaar landschap. Tegenwoordig is het precies andersom: steden strooien zichzelf uit over hun omgeving, terwijl die ‘zachte’ kust hard werd: van asfalt, beton en staal.

Ik herinner me de tijd van vóór de kering, toen ik opgroeide in Zeeland. Vanaf het strand van Vrouwenpolder kon je aan de verre overkant de steile duinen zien. Donker water ertussen, dat twee keer per dag in- en uitstroomde. Je kon erheen over de lange, smalle brug die iets verder naar het oosten lag. De Zeelandbrug heette toen nog Oosterscheldebrug en wij waren er een tijdje trots op dat het de langste brug van Europa was. Toch bleef Schouwen-Duiveland als een ver eiland voelen. Soms, in de zomer, zag je zeilboten op de Oosterschelde. Bruine en witte zeilen. Ik droomde ervan dat ik daar ooit zelf zou varen.

Op een dag veranderde het water. Begin jaren zeventig verschenen pijpleidingen en baggermolens. Zandplaten kwamen uit zee omhoog en werden – nieuw woord – een werkeiland. Het grootste heette Neeltje Jans. In de stroomgaten tussen de werkeilanden werden torens gebouwd. Daar moest een kabelbaan komen die betonblokken in zee zou storten. Zo waren ook het Brouwershavense Gat en een deel van het Haringvliet gesloten. We gingen ernaar kijken, zagen in de verte schuim opspatten bij elk vallend blok.

Bijna had hier net zo’n dam gelegen. Dan was de Oosterschelde net zo’n bewegingsloos meer als de Grevelingen geworden. Maar het liep anders. Milieu-activisten en vissers wisten regering en dijkenbouwers te verleiden tot een compromis tussen open en dicht.

„Tot die tijd leefden de meeste Zeeuwen met hun rug naar de zee”, zei Kees Slager, auteur van De Ramp, bij de vijftigste herdenking van ‘1953’ in deze krant. „Ze waren arm en hadden geen tijd om de zee mooi te vinden. Veel Zeeuwen zagen de overstroming bovendien als straf voor hun zonden. Gods stem is in de wateren. Zwemmen was al zondig.”

Hoe sneller de zee getemd werd, hoe liever. Zo dachten ook de ingenieurs. Maar in die gedachte verschenen barstjes. Nederland kreeg het beter en had meer vrije tijd. Voor het eerst begonnen gewone mensen het als een verlies te zien als dit dynamische landschap zou verdwijnen. De hightech kering beslechtte tien jaar vechten om dit zilte stukje Nederland. En toch is het denkbaar dat de Oosterscheldekering ooit weer verdwijnt.

Duiken

Een grijze dag in oktober. Pal onder de Zeelandbrug klimt een duiker uit het water, zet zijn luchtflessen neer en verdwijnt over de dijk naar het clubhuis. Dit is een van de mooiste ‘duikstekken’ van Nederland, met glashelder water en een betoverende zeebodem. In het voorjaar, als de sepia’s – een soort inktvissen – de Oosterschelde inzwemmen, moet je hier een nummertje trekken. Enige nadeel: het stroomt er zo hard dat je alleen bij de kentering – de korte periode rond hoog- en laagwater – kunt duiken.

Ik loop hier met Eric van Zanten van Rijkswaterstaat en Hans van der Sande van het Waterschap Scheldestromen. Deze dijk is in 2015 verzwaard en opnieuw bekleed. Na negentien jaar is vrijwel elke meter rond de Oosterschelde aangepakt. Hans en Eric leren me meer nieuwe woorden. Buitenberm, een verbreding aan de landkant van de dijk om het effect van golfoverslag te verminderen; Hillblocks, de betonnen stenen voor dijkbekleding, met een holte die golven dempt.

De komende jaren zal de vooroever verder worden versterkt. Dat is de strook zeebodem voor de dijk tot aan de diepe stroomgeul. Vooroeververdediging gebeurt met het storten van steen of staalslakken. Het moet voorkomen dat die geul naar de dijk wandelt. Niet denkbeeldig, zegt Hans van der Sande, want juist deze dijk, bij Zierikzee, is vanouds valgevoelig.

In het westen zie je windmolens wentelen in een bleek zonnetje; ze worden in hoog tempo bijgebouwd, zoals overal. Op de westelijke horizon staat ook het vierkante silhouet van het Topshuis, op de Neeltje Jans, van waaruit de kering bediend wordt. „De Oosterscheldekering heeft veel goeds gebracht”, zegt Eric van Zanten. „Hij houdt gevaarlijk hoogwater tegen, maar het getij blijft intact. Zo floreert de oester- en mosselsector en blijft de Oosterschelde een foerageergebied voor water- en wadvogels.”

Maar hoe lang nog? Rijkswaterstaat heeft net de resultaten vrijgegeven van een studie naar de veiligheid van het hele Oosterscheldebekken. Tot 2050 lijkt er weinig aan de hand en zijn alleen kleine aanpassingen nodig. Maar de studie gaat uit van prognoses voor de zeespiegelstijging uit 2006: maximaal 85 centimeter in het jaar 2100. Dat kan zomaar meer dan het dubbele worden in de nieuwe klimaatscenario’s die over vier jaar uitkomen.

Een grote zeespiegelstijging is onvermijdelijk. Om die te weerstaan is meer nodig dan de huidige groene agenda’s, betoogt Wouter van Dieren.

Bij 125 centimeter zeespiegelstijging zal de kering al 100 keer per jaar dicht moeten. Het heeft niet alleen enorme gevolgen voor de natuur, als het tij zo vaak wegvalt. Ook is dan „de houdbaarheid van de huidige veiligheidstrategie op lange termijn beperkt”, staat er onderkoeld. Waarmee Nederland sneller dan gedacht opnieuw voor een keuze staat. Eén: de kering plus dijken versterken. Twee: alsnog afdammen. Of drie, aldus het rapport: „een situatie waarin de [Oosterscheldekering] niet meer aanwezig is”. Lees: een ‘open Oosterschelde’ – de utopie van de milieu-activisten van vijftig jaar geleden – en de dijken rond de Oosterschelde verder versterken. Het kan, het is immers ook langs de Westerschelde gebeurd, omdat Antwerpen bereikbaar moest blijven. Maar hoe hoog moeten die dijken dan worden?

Geen kering. Ze willen er eigenlijk niet over praten, de waterbouwers. „We moeten nog iets te doen overlaten voor onze achterkleinkinderen”, grapt waterschapsman Van der Sande. „Het is vroeg genoeg als we er over veertig jaar over gaan nadenken.” Van Zanten, van Rijkswaterstaat: „Onze opdracht als overheid is om dit systeem zo lang mogelijk intact te houden. Tot 2050 zal het functioneren, daarna worden grotere aanpassingen noodzakelijk.” Maar je hoort ook twijfel doorsijpelen. „Zolang de kering open staat, zal de druk op de dijken toenemen”, zegt Van der Sande. „Op de lange termijn geeft ons dat een ongemakkelijk gevoel.”

Je zou het niet zeggen als je ziet met hoeveel geweld het water zich door de kering perst, maar er gaat te weinig water in en uit de Oosterschelde: een derde minder dan vroeger. Kering en de werkeilanden dempen het getij. Voor Tom Ysebaert, ecoloog bij het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) in Yerseke, is dat een acuut probleem. „Het water heeft zijn energie verloren”, zegt hij.

Het kan het zwevende zand niet lang genoeg vasthouden om het bij vloed terug te leggen op de zandplaten. Zo kalven ze langzaam af. Vogels hebben dan minder tijd om op het droogvallende slik te fourageren, tot de platen bij eb helemaal niet meer boven water komen. Sinds de sluiting is zo meer dan 1.000 hectare verdwenen. De Oosterschelde heeft ‘zandhonger’, heet het, en er is niets aan te doen. Ja toch, opspuiten.

Een biologisch laboratorium

Het is eb als we bij de Oesterdam op het slik stappen, niet ver van Bergen op Zoom. Bij hoogwater is dit een kitesurfersmekka. Even verder is een kottertje in de weer op de mosselgronden. Zoals overal in Nederland is ook hier elke vierkante meter meervoudig in gebruik.

Dit stukje is óók een biologisch laboratorium, zegt Ysebaert. Hier is in 2013 een laag van 350.000 kubieke meter nieuw zand gelegd door Rijkswaterstaat. Het is maar een klein stukje en dient als pilot voor een veel groter project: de Roggeplaat, tussen Zierikzee en de kering. Die wordt volgend jaar opgespoten.

Ysebaert wil vooral weten hoe snel het bodemleven – wieren, schelpen, wormen, slakjes, kreeftjes – zich herstelt in het verse zand. Geen bodemleven, geen vogels. Een scholekster wrikt schelpen open die vlak onder het oppervlak liggen. Een wulp zoekt met zijn kromme snavel dieper naar wormen, terwijl plevieren meer aan het oppervlak ‘grazen’.

De druk op de dijken neemt toe. Dat geeft een ongemakkelijk gevoel

Hij woelt in het zand en haalt een onwaarschijnlijke hoeveelheid kokkels boven. Die geribbelde schelpjes zijn inheems. Maar Ysebaert ziet meteen dat er ook meer gladde tussen zitten: Filipijnse tapijtschelp, een exoot, ook bekend als vongole. „Die heeft zich hier nu ook gevestigd. Het bodemleven verandert door het nieuwe zand”, zegt hij, leunend op zijn riek. „Wordt de tapijtschelp een concurrent van de kokkel en wat betekent dat voor het vogeldieet?” Maar er is weinig keuze. „Als je het ‘intergetijdengebied’ op lange termijn wilt behouden, moet je nu zand opspuiten.”

Tenzij je uitgaat van ‘scenario drie’: geen kering meer en een hersteld getij, sterk genoeg om de zandplaten te laten ‘meegroeien’ met de zeespiegel. „Maar dan moet je ook de dammen achterin de Oosterschelde weghalen om al dat nieuwe water te kunnen bergen”, zegt Ysebaert. „Dan zijn we full circle, zoals het was vóór de Deltawerken, maar met sterkere dijken.” Het zou de Ultieme Ontpoldering zijn. In theorie kan het.

Afdammen dan? Zonder getij zouden vogels hun foerageergebied verliezen en zou de ecologie van de Oosterschelde radicaal veranderen. Maar, zegt Ysebaert, „de ene natuur is op zichzelf niet beter dan de andere; die keuze moeten we met z’n allen maken.”

Begin november. Noord Beveland, ik wandel van Colijnsplaat richting Oosterscheldekering. Aan de landzijde van de zeedijk is óók water, en riet, resten van oude doorbraken. Ergens diep in deze massieve, fonkelnieuwe dijk moet de oude zitten, bedenk ik.

Aan de overkant trekt een bui met een obscene regenboog over Schouwen. Er zijn nog een paar late zeilers. Ik bedenk hoe vaak ik hier zelf al heb gevaren. In de mist, in een knetterende hagelbui waarin een zeil scheurde, op een windloze dag waarop alleen het getij je bewoog. En aan de afgelopen zomer, toen we wakker werden van een scheepshoorn – een schuit met sportvissers die ging vertrekken – en wij achter hem aan de sluis in draaiden, door de kering, naar zee.

Landschapsatlas van de Oosterschelde; Spiegel van verleden, venster op de toekomst. Uitgeverij BSBR; 440 pag. 59,50 euro