Soldaten en zakenlieden verdringen zich in spionnennest Djibouti

De Fransen en Duitsers zaten er al veel langer, maar nu is ook de Chinese marine neergestreken in Djibouti. De nieuwe supermacht koopt zich in op een van de meest strategisch gelegen plekken in de wereld.

De openingsceremonie van China's basis in Djibouti. Foto AFP

Op het eiland Moucha, een uur varen van het vasteland van Djibouti, liggen de resten van graftombes van piraten. Ze dateren uit de 19de eeuw. Toen al bedreigden zeerovers de met vracht beladen zeilschepen in de drukke Rode Zee en brachten ze hun schatten naar dit koraaleiland.

Trokken de kale kusten van de Rode Zee vroeger de aandacht van piraten op zeilschepen, nu zijn ze inzet van een strijd tussen militaire grootmachten. In de zinderende lucht vliegt een in Djibouti opgestegen Amerikaans gevechtsvliegtuig over. Soms kunnen de inwoners van Djibouti de Saoedische bombardementen horen op de kust van Jemen. Maar de meest opvallende nieuwkomer is China. Neemt China Afrika over? En is Djibouti daarbij het beginpunt van hun invasie? Dat vragen bezorgde Westerse diplomaten zich af.

Nergens in Afrika zijn zoveel buitenlandse bases als in de Hoorn van Afrika. Vooral in Djibouti verdringen militaire grootmachten zich voor een plaatsje. China heeft er onlangs voet aan wal gezet en ook Saoedi-Arabië wil er een basis openen. In de buurlanden Eritrea, Somaliland en Somalië vestigden Turkije en de Arabische Emiraten militaire steunpunten.

De Fransen zijn nu een droevige achterblijver in Djibouti geworden, hun invloed in de wereld verbleekt in het licht van de nieuwe supermachten

Uit alle windrichtingen

Militairen uit alle windrichtingen komen naar deze strategische regio voor de bestrijding van moderne piraterij, smokkelaars, mensen- en wapenhandelaars en radicale moslimrebellen in Jemen en Somalië. Hun poging een van de belangrijkste zeeroutes ter wereld te controleren maakt onderdeel uit van een mondiaal machtsspel om militaire dominantie, waaraan het barre woestijnstaatje jaarlijks miljoenen dollars aan huur opstrijkt. Schertsend heet het ministaatje, dat kleiner is dan Nederland, de ‘Internationale Republiek Djibouti’.

Djibouti ligt op het kruispunt tussen Afrika, Azië en het Midden-Oosten, tussen Arabische moslims en Ethiopische christenen, langs een van de drukste zeeroutes ter wereld en kusten, waar in onbarmhartige woestijnen de meest geharde volkeren van de planeet leven: de moedige en zelfingenomen Afars en Somaliërs.

„Alles draait hier altijd om zaken, al eeuwenlang. De bewoners in deze regio buiten hun strategische ligging aan de monding van de Rode Zee optimaal uit”, zegt Nassir Fahami, journalist van het officiële persbureau van Djibouti.

De stad Djibouti is een prachtige oude plaats met op het centrale plein Menelik gezellige cafés en onder de zuilengang van de antieke gebouwen restaurants met Aziatische, Arabische, Afrikaanse en Europese cuisine. De internationale allure en intriges roepen beelden op van de jaren veertig in het Marokkaanse Casablanca, zoals in de gelijknamige film met Humphrey Bogart en Ingrid Bergman. Iedere spion houdt de andere bespieder in de gaten, buitenlandse geheime diensten luisteren mobiele telefoons af en Franse restauranthouders beloeren hun clientèle.

Inwoners van Djibouti halen er hun schouders over op. „Daar zijn we al eeuwen aan gewend”, lacht Nassir in een pizzeria. „Djibouti is een spionnennest, maar met nauwelijks 1 miljoen inwoners kennen we elkaar allemaal. We weten precies wie voor welke buitenlandse macht spioneert.”

Grauw en onvruchtbaar

Je moet gehard zijn om in Djibouti te leven. Het regent er vrijwel nooit en het is altijd bloedheet, met een gemiddelde temperatuur van 40 graden Celsius. De natuur is grauw en de grond onvruchtbaar. Behalve watermeloenen in de bergen valt er niets te verbouwen. Al het voedsel, zelfs drinkwater, moet worden geïmporteerd tegen hoge prijzen.

In een wachthuisje bij de ingang van het Amerikaanse militaire kamp Lemonnier zit een soldaat gehuld in kogelvrij vest bij een ventilator. In het kamp wappert de zwarte vlag. „Die geeft aan dat het door de hitte te gevaarlijk is om te sporten”, zegt eerste luitenant Edward Cartegena. „Alleen brood en cola kopen we in Djibouti, al het andere voedsel halen we uit Amerika of van onze bases in het Midden-Oosten.”

De Amerikaanse basis ligt naast de burgerluchthaven. Bij het opstijgen van een Hercules laat Cartegena zijn militaire passie de vrije loop. „Vind je haar niet aantrekkelijk? Net de vorm van een vrouw. Zie je haar buik? En de propellers? Als haar borsten.”

De soldaten zitten hier opgesloten. Sinds een terreuraanslag in 2014 op restaurant La Chaumière aan het Menelikplein mogen ze voor vertier de basis niet meer af.

Commandant Will Moynahan serveert een appelflap uit de plaatselijke patisserie. Hij is assistent-hoofd van kamp Lemonnier, waar vijfduizend Amerikaanse soldaten zijn gelegerd. De staat van paraatheid is verhoogd na de grote bomaanslag van vorige maand in de Somalische hoofdstad Mogadishu, zegt hij.

De na ‘9/11’ opgerichte basis is de enige Amerikaanse op het Afrikaanse continent. Vanaf een nabijgelegen apart vliegveld vertrekken drones voor speciale spionage- en aanvalsmissies, zoals na de gigantische bomexplosie in Mogadishu (waarbij meer dan 350 burgers omkwamen). De afgelopen weken werden de Amerikaanse aanvallen op kampen van de terreurgroep Al-Shabaab opgevoerd.

„We zijn hier om veiligheid in Afrika te bereiken”, zegt Moynahan. Lemonnier herbergt verschillende militaire eenheden en vanuit het kamp opereren ook speciale commando’s om gijzelaars te bevrijden of om op de grond terroristenkampen aan te vallen.

Rijdend door Djibouti stuit je van de ene door dubbelhoge muren en prikkeldraad gebarricadeerde militaire vesting op de andere. Naast de Amerikaanse basis is er sinds 2011 een Japanse basis, de eerste militaire aanwezigheid van Tokio in het buitenland. Er zijn Spaanse en Italiaanse bases. Duitsers van de internationale antipiratenbrigade Atalanta werken in Lemonnier. De oudste militaire aanwezigheid is die van de Fransen.

De staat Djibouti is een grap van de koloniale geschiedenis, een gevolg van competitie tussen grootmachten

Een grap van de geschiedenis

De staat Djibouti is een grap van de koloniale geschiedenis, een gevolg van competitie tussen grootmachten. De Frans-Britse rivaliteit rond de Rode Zee in de 19de eeuw ligt ten grondslag aan de oorsprong van dit onwezenlijke land. De Britten verdedigden vanuit Aden aan de overkant hun strategische belangen. De Fransen vestigden in 1862 eerst in het stadje Obock en daarna in Djibouti-Stad hun tegenwicht. Als een brede beschermingsgordel bouwden ze in de grillige bergen en in de steen- en zandwoestijnen forten, om invasies uit het imperiale Abessinië (nu Ethiopië) te voorkomen. In de stad groeide een Franse enclave, met wijn, stokbrood, camembert en bronwater uit de Ardennen. Pas in 1977 kreeg Djibouti zijn onafhankelijkheid.

Maar de Fransen bleven, en sloten een defensieverdrag met de onafhankelijke regering. Marine-officier Frédéric Graillat lacht schamper om de gehesen zwarte vlag op de Amerikaanse basis. „We zijn hier al zo lang en weten dus dat sporten overdag uit den boze is. Onze aanwezigheid in Djibouti is van een geheel andere aard dan die van de andere landen”, zegt de kapitein.

In tegenstelling tot alle andere buitenlandse militairen leeft een groot deel van de Franse soldaten met hun families in woningen in de stad, ze vermaken zich in restaurants en nachtclubs en joggen in de avonduren. De Fransen legden met hun taal en cultuur een stempel op het land, maar hun invloed is tanende. Hun basis is nog steeds hun grootste in Afrika, maar met een slinkend aantal militairen, nu nog slechts 1.400 man.

Een droevige achterblijver

De Fransen zijn nu een droevige achterblijver in Djibouti geworden, hun invloed in de wereld verbleekt in het licht van de nieuwe supermachten. De Chinezen in Djibouti pakken het geheel anders aan dan de Fransen en Amerikanen. Ze bouwen tien kilometer van Lemonnier op een heuvel bij de haven aan hun meest omvangrijke militaire aanwezigheid in Afrika. Hun eerste basis overzee oogt met de hoge uitkijktorens als een fort. Twee maanden geleden kwamen ze aan land en ze zullen hun basis, bedoeld voorzesduizend man, uitbreiden tot de grootste van Djibouti. Bezoekers die onlangs een kort kijkje mochten nemen, zagen een groot ziekenhuis in aanbouw. De Amerikanen op hun basis leven in containers, de Chinezen bouwen stenen huizen. Vermoedelijk leggen ze wegens spionerende drones ook ondergrondse faciliteiten aan.

De komst van de Chinezen naar dit strategische kruispunt veroorzaakte schokgolven bij China’s Aziatische rivalen Japan en India. Tevergeefs probeerden hoge Amerikaanse diplomaten de regering van Djibouti te overreden er een stokje voor te steken. Volgens de officiële versie van Beijing vervult de basis „logistieke doeleinden”, zoals evacuatie van landgenoten uit haarden van onrust in Jemen en Zuid-Soedan. Maar westerse diplomaten in Djibouti geloven daar niets van.

Hier geldt alleen handel en geld. De geschiedenis herhaalt zich

„De Chinezen willen uitgroeien tot een militaire wereldmacht, daarom zitten ze in Djibouti”, zegt een hoge westerse diplomaat. „Vanuit hun basis kunnen ze een grootschalige militaire aanval in de regio uitvoeren”.

Meer dan enig westers land zetten de Chinezen ‘soft power’ in. Ze investeren voor bijna 10 miljard dollar in Djibouti, en nog vele miljarden meer in het economisch snel groeiende buurland Ethiopië (ruim 100 miljoen inwoners).

In Djibouti bouwen leggen ze wegen en een 750 kilometer lange spoorweg naar Addis Abeba aan, ze bouwen water- en oliepijplijnen, vliegvelden, havens en een industriepark. Onlangs kwam een varend Chinees ziekenhuis langs met gratis medische voorzieningen.

„De Chinezen zijn de enigen in ons land die in alle sectoren investeren”, vergoelijkte president Ismail Omar Guelleh de Chinese invasie begin dit jaar in een interview met Jeune Afrique. „Alleen zij bieden ons een partnerschap aan op de lange termijn”.

Maritieme expedities

China verwijst in zijn soms omstreden relatie met Afrika vaak naar zeven maritieme expedities sinds de 17de eeuw naar Afrika. Misschien kent de Chinese betrokkenheid met Afrika zo’n historisch precedent, maar in de westerse visie is Beijing sinds de eeuwwisseling bezig met een veroveringstocht in Afrika. China is al sinds 2010 Afrika’s grootste handelspartner (met een handelswaarde van ruim 200 miljard dollar), het doet mee aan VN-vredesmissies in Zuid-Soedan en Mali en het koopt veel van zijn grondstoffen in Afrika.

De Chinezen nemen ook deel aan de bestrijding van piraten. Het oude zakenmodel achter deze miljoenenbusiness draaide op financiers in Dubai en Mombasa, informanten in de havens langs de Rode Zee en zeerovers met moderne satellietapparatuur in Jemen en Somalië. Wat zich buitengaats afspeelt, onttrekt zich nog steeds aan internationaal geaccepteerde wetten en regels.

In andere Afrikaanse landen wakkert de dominante Chinese aanwezigheid soms nationalistische gevoelens aan

„Er patrouilleren nog steeds oorlogsschepen, anders zou de piraterij onmiddellijk terugkeren”, zegt de diplomaat. „Ieder land bestrijdt de bedreigingen op zee op zijn eigen manier. Komt een Chinees schip een groep gewapende kapers tegen, dan brengen ze het schip tot zinken.”

Ook economisch laten de Chinezen zich gelden. De grootste kritiek is, zoals elders in Afrika, dat Chinese bedrijven nauwelijks plaatselijke arbeidskrachten inhuren. „Ze nemen in Djibouti alles over”, klaagt een grote zakenman. „Er valt niet meer tegen op te boksen, iedere concurrent drukken ze de kop in”.

Volgens hem uiten ook ministers in privé-gesprekken hun ongenoegen over de groeiende afhankelijkheid van China. De meeste Chinese investeringen komen in de vorm van leningen met 5 procent rente. „Over een paar jaar gaat 80 procent van het bnp op aan afbetaling van leningen aan China”, zegt hij. „Voor een arm land als Djibouti valt dat niet te doen.”

In andere Afrikaanse landen wakkert de dominante Chinese aanwezigheid soms nationalistische gevoelens aan. Maar in Djibouti mankeert het aan nationale trots. „Het ontbreek ons aan een nationaliteitsgevoel om ons te verzetten tegen de overname van ons land”, zegt de zakenman. „Hier geldt alleen handel en geld. De geschiedenis herhaalt zich.”