Column

Hoe Rutte III de regio ook wat wil gunnen

Het beeld is compleet gekanteld. Amsterdam is in twee decennia een economische magneet geworden die de neergang van het aantal inwoners met gemak heeft omgezet in groei. De komst van het Europese Geneesmiddelenbureau (EMA) van Londen naar Amsterdam heeft dan ook een onverbiddelijke logica. Al gaf loting de doorslag.

Het aantal mensen dat Amsterdam verlaat was in 2016 groter dan het aantal nieuwkomers uit andere gemeenten, bleek vorige week uit cijfers van het CBS. Maar de bevolking is relatief jong. Dus genoeg baby’s om te groeien. In 2016 met 10.000 naar 844.952 inwoners. In 2019 denkt Amsterdam het record van 872.000 inwoners uit 1959 te overtreffen. Vandaar ook die koophuizenhausse en de klachten over drukte.

Amsterdam is de blikvanger van de Randstad en van steden met hoger onderwijs. Zij hebben een groeiende, verjongende bevolking. Dáár zijn de opleidingen. Daar is later werk. Daar is de markt voor liefde en relaties. Wie gezinsuitbreiding nastreeft, vertrekt later naar een randgemeente. Voor ruimte, groen en gelijkgestemden.

Ouderen blijven in de ‘provincie’ wonen. Aan de flanken van Nederland zie je óók een omslag: een versnelling van de krimp. Noord-Oost Groningen, Twente, Limburg. De vestiging van asielzoekers dempt die trend. Het woord flanken is overigens een typisch Randstad-woord. Vanuit de krimpregio’s bekeken is de Randstad zelf een flank.

In het regeerakkoord zie je meer aandacht voor de belangen van de krimpregio’s. Rutte III is immers, generaliserend gezegd, een coalitie van grotestadspartijen (D66 en VVD) én van provinciale partijen (CDA en ChristenUnie). In het regeerakkoord staat een apart stukje getiteld ‘Krimp en kleine scholen’. En in de paragraaf ‘Een goed en gelijk speelveld voor ondernemers’ staat dat het kabinet de postbezorging op het „huidige kwaliteitsniveau op het platteland en in krimpregio’s” wil behouden.

Tussen de Randstad en de regio speelt meer dan cultuur en Zwarte Piet. Zalm had zijn vragen breder moeten formuleren

Het verbaasde me dan ook niet dat ik in digitale dozen met documenten van de kabinetsformatie wat vragen vond van informateur Gerrit Zalm over de relatie tussen de Randstad en de regio. Die vragen waren voor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De partijen aan de formatietafel wilden weten welke mogelijkheden er zijn om geld voor cultuur te verschuiven van de Randstad naar de regio.

De antwoorden zijn leerzaam om drie redenen. Een: er is dus hardop nagedacht over die verhouding. Twee: de Randstad profiteert meer van sommige regelingen, zoals de fiscale aftrek voor onderhoud van rijksmonumenten. Drie: veel van de andere uitgaven op dit terrein liggen vast. Een minister kan er pas na enkele jaren wat aan veranderen. Regeren blijkt ook: accepteren wat je voorgangers hebben bedacht.

Maar tussen de Randstad en de regio speelt meer dan cultuur en Zwarte Piet. Zalm had zijn vragen breder moeten formuleren. De rijksoverheid en de verzelfstandigde publieke diensten zijn aanzienlijke werkgevers. Denk aan rechtbanken, kazernes en gevangenissen. En aan kantoren van de Belastingdienst, van het UWV (werk en uitkeringen), de Sociale Verzekeringsbank (AOW en kinderbijslag) en De Nederlandsche Bank. Wat is het beeld? Lokale vestigingen verdwijnen. Het is krimpen en centraliseren.

Maar als het economisch zwaartepunt dankzij hoger onderwijs, verhuizingen en de EMA naar de Randstad verschuift, hoe kan de regio dat verlies compenseren? Veertig jaar geleden had je de spreiding van rijksdiensten, zoals het PTT-hoofdkantoor naar Groningen. Dat vond men later te dirigistisch. Die vraag komt gewoon weer op tafel: hoe steunt Den Haag de provinciale vitaliteit tegen de Randstad-magneet.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie