Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter

Hoe de kleinzoon van Gandhi zijn woede leerde te beteugelen

De geweldloosheid die Mahatma Gandhi predikte, lijkt in deze tijd bijna onbereikbaar. Kleinzoon Arun: „Je kunt je woede gebruiken om het leven beter te maken.”

Het gebeurde hem gisteren nog. Is hij een boek aan het signeren, vraagt iemand of hij vegetariër is. In een restaurant komen mensen soms naar hem toe. Dan zien ze dat hij een hamburger eet en dat vinden ze dan raar, want de kleinzoon van de beroemde geestelijk leider Mahatma Mohandas Gandhi kan toch geen vlees eten? „Mensen gaan daar vanuit omdat mijn grootvader vegetariër was”, zegt Arun Gandhi. De 83-jarige activist, gekleed in een tweedelig pak, spreekt op zachte toon. Hij is in Nederland om zijn laatste werk, Het boek van wijsheid, 11 levenslessen van mijn grootvader, te promoten. „Mensen denken dat een vegetariër of veganist bij uitstek iemand is die geweldloosheid nastreeft. Onzin. Ik ken veganisten die gewelddadig zijn en zelfs oorlog acceptabel vinden.” Dus ja, Arun Gandhi eet vlees en ja, hij is ook een toegewijd pleitbezorger van geweldloosheid. „Ik weet dat ik hypocriet ben. Als ik zelf een dier moest doden, zou ik het niet eten. Tja, ik ben niet perfect.”

Dat was de leider van de Indiase onafhankelijkheidsstrijd ook niet. In zijn boek, dat eerder dit jaar verscheen met de titel The gift of anger, beschrijft Arun hoe zijn grootvader, die de filosofie van actieve geweldloosheid predikte, hem vertelde over zijn eigen tekortkomingen. Zo stal de jonge Gandhi geld van zijn ouders om sigaretten te kopen en at hij een tijdlang stiekem vlees, omdat hij dacht dat het hem net zo sterk zou maken als de Britse overheerser. Ook maakte hij aan het begin van zijn gearrangeerde huwelijk geregeld ruzie met zijn vrouw. Zozeer zelfs, dat hij haar een keer probeerde het huis uit te gooien. „Mensen denken dat mijn grootvader altijd een heilige is geweest”, zegt Arun. „Maar dat was hij niet, zelfs niet aan het einde van zijn leven. Hij vond het niet fijn dat mensen hem Mahatma [eretitel voor ‘Grote Ziel’] noemden, hij zag zichzelf als iemand die op zoek was naar de waarheid.”

Mensen denken dat mijn grootvader altijd een heilige is geweest, maar dat was hij niet

In Het boek van wijsheid schrijft Arun Gandhi niet alleen over Mohandas Gandhi als man en spiritueel leider, hij gaat vooral in op de persoonlijke relatie die hij met zijn grootvader had. Zo beschrijft Arun – die met zijn zussen in Zuid-Afrika opgroeide in een ashram [religieuze leefgemeenschap] die al eerder was gesticht door zijn grootvader – welke levenslessen hij als jongen meekreeg van ‘Bapuji’, zoals Gandhi door familieleden werd genoemd. Hij vertelt dat hij het als Indiaas kind in Zuid-Afrika zwaar te verduren had. „Ik moest vechten tegen allerlei vooroordelen. Blanke kinderen vonden dat ik niet blank genoeg was, zwarte kinderen dat ik niet zwart genoeg was. Ik moest vaak knokken. Het maakte me opstandig en boos.” Omdat zijn ouders zagen hoe gefrustreerd de jonge Arun was, lieten ze hem tijdens familiebezoek in India in 1945 achter bij Bapuji. „Ze hoopten dat ik bij mijn grootvader zou leren iets met mijn woede te doen.”

De 12-jarige Arun verbleef uiteindelijk twee jaar in de ashram van zijn grootvader, een periode die veel impact had. Zo legde Gandhi zijn kleinzoon – die een keer na ruzie tijdens een potje voetbal huilend naar zijn grootvader was gerend – uit dat woede geen verkeerde emotie is, maar dat Arun moest leren er iets goeds mee te doen. „Hij vergeleek woede met elektriciteit. Hij zei: ‘Het is krachtig als je het op een intelligente manier gebruikt, maar het kan destructief zijn als je het misbruikt. Je moet leren om je woede te kanaliseren, dan kan je het gebruiken om je leven te beteren’.” Arun kreeg van zijn opa de opdracht een woededagboek bij te houden. Doel was niet om zo de woede van zich af te schrijven, maar in te zien wat hij ertegen kon doen. „Als ik boos werd, moest ik opschrijven wie of wat de woede veroorzaakte en waarom ik boos werd. Zo kon ik afstand nemen van mijn emoties en het conflict ook vanuit de ander bekijken. Mijn grootvader wilde dat ik op die manier leerde een oplossing te vinden die niet tot meer boosheid zou leiden.” In combinatie met dagelijkse meditatie-oefeningen, lukte het de jonge Arun na een aantal maanden om wat beter zijn woede te beteugelen.

De les met het kleine potloodje

Een andere belangrijke les die hij leerde, had te maken met een klein potloodje. Toen Arun op een dag vanuit het stadje, waar hij les kreeg, naar de ashram terugliep, gooide hij het stompje weg. „Ik vond dat ik een nieuw potlood had verdiend. Toen grootvader er ’s avonds achter kwam dat ik het had weggegooid, zei hij dat ik het buiten moest gaan zoeken. Ik vond het belachelijk. Waarom maakte hij zich zo druk om een klein potloodje?” Arun kreeg een zaklantaarn mee en zocht twee uur lang in het donker tot hij het stompje weer had gevonden. „Ik liep ermee terug in de overtuiging dat mijn grootvader nu wel zou begrijpen dat het écht te klein was, maar hij zei: ‘Je doet de natuur geweld aan.’ Hij legde uit dat verspilling meer is dan een slechte gewoonte. Door te over-consumeren, worden grondstoffen schaarser. Dat was in de ogen van Bapuji een vorm van geweld.” Zijn grootvader beschouwde passief geweld als de brandstof waarmee fysiek geweld kan oplaaien, aldus Arun. „Materialisme houdt armoede en onevenwichtigheid in stand. Dit leidt tot woede bij de slachtoffers van deze ongelijkheid en dat kan uiteindelijk leiden tot fysiek geweld.”

Arun Gandhi (r) met zijn grootvader Mahatma Gandhi. Foto Harper Collins

Eind 1947 ging Arun terug naar Zuid-Afrika. Een maand nadat hij weer thuis was werd Gandhi in 1948 vermoord door een radicale hindoe. „Toen ik die dag thuiskwam, stond mijn moeder huilend bij de telefoon. Ik zei tegen mijn ouders dat ik de man, die dit had gedaan, wilde wurgen. Maar zij reageerden meteen: ‘Heb je niets geleerd? Ben je de lessen van je grootvader nu al vergeten? Hij zou willen dat je je leven wijdt aan het voorkomen van dit soort geweld.”

Dat werd inderdaad Aruns missie, alhoewel hij daar aanvankelijk wel moeite mee had. Als puber worstelde hij een tijdlang met zijn beroemde achternaam. „Het voelde als een zware last. Maar mijn moeder zei een keer: ‘Als je dit als een last beschouwt, wordt het alleen maar zwaarder. Als je deze erfenis ziet als het licht dat jou leidt, wordt het eenvoudiger om ermee om te gaan’.”

Hulp aan de allerarmsten

Die boodschap nam hij ter harte. Werkzaam in Mumbai als journalist bij The Times of India begon Arun, samen met zijn vrouw Sunanda (die inmiddels overleden is), hulp te bieden aan de allerarmsten in India. Ook zorgden ze ervoor dat zo’n 120 weeskinderen uit Mumbai een nieuw thuis kregen in het buitenland. „Kijk”, trots haalt hij zijn smartphone tevoorschijn en toont een groepsfoto van zichzelf met zo’n dertig adoptiekinderen. „Met de meesten heb ik nog contact. Sommigen noemen mij zelfs ‘vader’.”

Nadat hij in 1987 naar de Verenigde Staten emigreerde, opende hij in 1991 het M.K. Gandhi Institute for Nonviolence, een non-profitorganisatie die geweldloosheid stimuleert, onder meer via onderwijsprogramma’s op scholen. „In academische studies wordt vaak de nadruk gelegd op fysiek geweld en conflictresolutie. Ik wil juist benadrukken dat het bestrijden van geweld vooral te maken heeft met persoonlijke transformatie.” Door de eeuwen heen hebben we een cultuur van geweld ontwikkeld, meent Arun Gandhi. Geweld zit in onze manier van spreken, in onze opvoeding, in ons vermaak.

„Als je bijvoorbeeld zegt tegen je kinderen dat ze straf krijgen als ze niet luisteren, plant je al de eerste zaadjes van geweld.”

Hij vertelt dat hij en zijn zussen, volgens de leer van zijn grootvader, door zijn ouders niet werden gestraft als ze iets fout hadden gedaan. „Mijn zus had een keer een doos chocola opgegeten. In eerste instantie ontkende ze toen mijn ouders ons ermee confronteerden. Maar uiteindelijk gaf mijn zus toe dat zij het had gedaan. Mijn ouders trokken vervolgens de conclusie dat zij in hun opvoeding tekort waren geschoten.” Bij wijze van boetedoening besloten zijn vader en moeder te vasten. „Twee dagen lang hebben ze gekookt en ons het eten geserveerd zonder zelf iets te eten. We vonden dat erg verdrietig.”

We moeten inzien dat mensen die aanslagen plegen, niet alleen maar gek zijn geworden

Voelde hij zich door deze opvoedmethode – zijn ouders gingen wel vaker vasten – niet juist vreselijk schuldig ten opzichte van zijn ouders? Hij glimlacht en schudt minzaam zijn hoofd. „Je moet je schuldig voelen voor de fouten die je maakt, anders leer je niks. Er bestaat ‘goede’ schuld en ‘slechte’ schuld. De slechte variant maakt dat iemand zich vernederd voelt, de goede variant doet een beroep op iemands geweten.” Hij wil wel benadrukken dat de methode van boetedoening alleen werkt als er al sprake is van een wederzijds liefdevolle relatie tussen ouder en kind. „Als dat niet zo is, zal een kind natuurlijk zeggen: ga vooral vasten, kan mij het schelen.”

Geweldloosheid om jezelf moreel en ethisch sterker te maken was wat Mahatma Gandhi nastreefde. Door de huidige conflicten en terroristische aanslagen lijkt deze boodschap verder weg dan ooit. De huidige president van de Verenigde Staten maakt het er niet eenvoudiger op. „We hebben sinds de Amerikaanse burgerrechtenbeweging uit de jaren zestig hard gewerkt om ongelijkheid en racisme te bestrijden”, zegt hij gelaten. „Trump heeft ons binnen de kortste keren zo’n honderd jaar terug in de tijd gezet.” Hij wijst op de tweet van Trump na de aanslag in New York. „Hij reageert door te twitteren dat de dader de doodstraf moet krijgen. Maar we moeten inzien dat mensen die aanslagen plegen, niet alleen maar gek zijn geworden. Ze reageren op een situatie die we zelf hebben gecreëerd.”

Foto Frank Ruiter

Hij grijpt terug naar 9/11. „Na die aanslag, waarbij bijna 3.000 mensen omkwamen, was het antwoord van de VS om terug te slaan met nog meer geweld. Tienduizenden onschuldige burgers zijn gedood in Irak en Afghanistan. En nog steeds worden deze landen gebombardeerd. Deze mensen vergelden geweld weer met geweld. Dit zal het probleem nooit oplossen. Zoals mijn grootvader al zei: ‘Als de hele wereld uitgaat van de ‘oog-om-oog’-filosofie, worden alle mensen blind’.”

Israël

Zijn opvattingen – in 2004 spoorde hij de Palestijnen aan om vreedzaam om te gaan met de Israëlische bezetting en noemde hij het lot van de Palestijnen ‘tien keer erger’ dan dat van de zwarte bevolking onder het apartheidsregime in Zuid-Afrika – worden hem lang niet altijd in dank afgenomen. In 2008 werd Arun gedwongen op te stappen uit het bestuur van het M.K. Gandhi Institute. Aanleiding was een blog waarin hij het militarisme van Israël veroordeelde. „De reacties verrasten mij. De Anti-Defamation League (ADL) stuurde een mail naar alle joodse organisaties in de VS om mij als spreker te boycotten.” Ook de president van de universiteit van Rochester [waar het M.K. Gandhi Institute is gevestigd] zei tegen Gandhi dat hij moest opstappen. „Zo niet, dan zou hij het instituut van de campus verwijderen. Ik had die column op persoonlijke titel geschreven met de bedoeling een discussie te starten, maar het werkte averechts. Reden voor mij om inderdaad te vertrekken.” Inmiddels wordt hij door zijn eigen instituut af en toe wel weer om advies gevraagd. „Ze wilden me stilletjes terug laten komen, maar dat wil ik niet. Ik doe niets in stilte.”

Gandhi, King en Mandela voerden een harde strijd tegen ongelijkheid. Maar hun ideeën over mens-zijn, liefde en het overstijgen van verschillen waren pas echt radicaal, betoogt Bas Heijne

Nog steeds reist Arun Gandhi de wereld rond. Hij geeft lezingen op scholen en universiteiten, is spreker op vredesconferenties en anti-racisme bijeenkomsten zoals in 2014 in Ferguson, waar een blanke agent een zwarte man had neergeschoten. Door de boodschap van zijn grootvader over te brengen, probeert hij de woede en onmacht onder de toehoorders weg te nemen. Een lastige taak. „Van mijn ouders heb ik geleerd om geen al te hoge verwachtingen te hebben. Wie de hele wereld wil veranderen, raakt gefrustreerd. Ik probeer telkens één persoon tot nieuwe inzichten te brengen. Ik zie mijzelf als een ‘vredeszaaier’. Ik plant een zaadje van vrede en geweldloosheid in iemand, in de hoop dat het tot bloei zal komen.”

Zijn achternaam opent nog steeds deuren en daar maakt hij gebruik van. Heeft hij de erfenis van zijn grootvader inderdaad omarmd, zoals zijn moeder destijds adviseerde? „Ja. Als ik nu in een moeilijke situatie zit, vraag ik me af wat mijn grootvader zou doen. De kern van zijn filosofie is dat we geen vijanden hebben. We hebben vrienden die misleid zijn.”

Het boek van wijsheid 11 levenslessen van mijn grootvader Mahatma Gandhi. Door Arun Gandhi. HarperCollins, 19,99 euro. In de Nieuwe Kerk is tot 4 februari 2018 de tentoonstelling We have a dream, over Mahatma Gandhi, Martin Luther King en Nelson Mandela