Recensie

De ongebreidelde fantasie van Matthew Monahan

Het werk van Matthew Monahan is nooit een hype geworden – gelukkig. Want zo kon de kunstenaar in relatieve rust verder werken aan wat inmiddels een hoogwaardig oeuvre is. Een presentatie in Bergen bewijst het.

Als een ‘gewelddadige regressie’ – zo omschreef de Amerikaanse kunstenaar Matthew Monahan (1972) het begin van zijn werk. Dat werk ontluikte halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw. In een periode dat het kunstonderwijs werd gedomineerd door abstractie, minimalisme en alom aanwezige conceptualisering, was daar ineens een jonge Amerikaan op de Rietveld Academie en later De Ateliers, die zijn kont tegen de krib gooide en tekeningen begon te maken van wezens die zowel in de toekomst als het verleden leken te leven. Vanaf metershoge lappen papier grijnsden ons vreemde hybriden aan die het midden hielden tussen oorlogsgod, pre-columbiaanse sjamaan en futuristische maanwandelaar. Ze waren er gewoon in al hun ongebreideldheid. Geen concept, niks minimalistisch. Wel liefde voor materiaal, voor verhalen, een ongebreidelde fantasie en scheppingsdrift.

Atavistische wezens

Met Monahan is het snel gegaan: zijn werk werd opgepikt door een van Nederlands beste galeries (Fons Welters), maar daarna lonkte de veel grotere galerie van Anton Kern in New York. Er volgden presentaties op Sonsbeek (2009), de Biennale van Venetië (2013), solo’s en groepstentoonstellingen. De tekeningen kregen drie dimensies: ze werden verfrommeld tot maskers, het papier werd gebruikt in beelden van steen, cement, brons, aluminium, epoxy. De mysterieuze, atavistische wezens bleven.

Monahan is nooit een hype geworden. En dat is gelukkig. Want zo kon de kunstenaar in relatieve rust verder werken aan wat inmiddels een hoogwaardig oeuvre is.

Hoe hoogwaardig blijkt op een klein maar fijn overzicht in museum Kranenburgh in Bergen. In een grote zaal zijn een kleine tien stukken opgesteld die de Rabobank van Monahan heeft aangekocht. Daaronder zit een aantal werken op papier, waaronder het prachtige Spoon Jab (2014). ‘Spoonjab’ is in hip jargon de boerensukkel die zijn maaltijd met een lepel naar binnen werkt. Maar Monahan gebruikt het om een bijna religieuze voorstelling van moeder met kind, lepeltje-lepeltje tegen elkaar aan liggend, uit te drukken in aquarel en houtskool. Dat doet hij zonder zoetsappigheid: stukken papier zijn cru versneden en weer aan elkaar geplakt, ledematen houden op in de lucht, een hoofd mag best gehalveerd eindigen.

Deerniswekkende ravage

Naast de werken op papier toont Monahan ook beelden van krijgers. De krijgers staan in hun eentje, op de getekende schouders van hun collega’s (Army of One). Ze worden gestut door stokken en speren, een dijbeen hangt open, een borst wordt doorstoken, een hoofd lijkt opgediept uit een archeologische vindplaats. Een topwerk is Rust Never Sleeps (2011), naar het gelijknamige album van Neil Young uit 1979. Roestvrij staal gaat samen met gips, brons, bakstenen en nog veel meer materiaal dat (net als de muziek van Young) zwaar is, maar licht oogt. Een man/vrouw knielt. Het lichaam is een deerniswekkende ravage, maar de uitdrukking op het gehavende gezicht drukt iets anders uit. Geloof, hoop en ja: ook liefde.

    • Lucette ter Borg