Voorbereiden op de volgende crisis

Europese Unie Op een reeks supertoppen, tussen december en juni volgend jaar, willen EU-leiders de euro oppoetsen en versterken.

Graffiti in het centrum van Athene, gemaakt door de bekende straatartiest Cacao Rocks, geeft commentaar op hoe de Griekse hoofdstad werd getroffen door de financiële crisis. Foto LOUISA GOULIAMAKI / AFP

Hoe voorkom je dat de volgende financiële crisis – en die komt er vroeg of laat – net zo meedogenloos uitpakt als de vorige? Over die vraag gaan EU-leiders zich de komende maanden het hoofd breken. Tijdens een reeks supertoppen, tussen december en juni, moet de euro worden opgepoetst en versterkt.

Een gezellig gesprek wordt het niet. Zo staan Nederland en Frankrijk nu al, nog voor het debat goed en wel is begonnen, lijnrecht tegenover elkaar. Grote struikelblok: de vraag of er in Europees verband buffers moeten komen, om de grootste klappen tijdens een crisis op te kunnen vangen. Of moet het aanleggen daarvan, zoals nu, nationaal blijven? De Franse president Macron wil het eerste, premier Rutte het tweede. Duitsland weifelt.

„In Nederland zijn we niet zo enthousiast over zulke dingen”, zei Rutte onlangs op de EU-top in Zweden. Gemeenschappelijke schokdempers maken lui. „Het risico is dat het landen weghoudt van de dingen die ze zelf moeten doen, namelijk hervormingen doorvoeren. Ja, sorry, maar dat is toch nodig.” Hij hamert niet alleen op eigen verantwoordelijkheid, maar ziet in Europese solidariteitsmechanismen ook de kiem van een ‘transferunie’, een permanente geldstroom van sterkere naar zwakkere landen.

Volgens economen is een gedeelde munt zonder Europese solidariteit op termijn echter niet levensvatbaar. De eurocrisis maakte dat pijnlijk duidelijk: economisch sterkere landen wisten de financiële en sociale schade voor zichzelf binnen de perken te houden, terwijl zwakkere landen soms disproportioneel hard terug in de tijd werden geworpen. Een euro die verschillen niet verkleint, maar zelfs vergroot – dat is vragen om rampspoed.

Stereconoom Piketty

In een recent artikel trekt de stereconoom Thomas Piketty een parallel met de Catalaanse kwestie. De zeer vergaande (financiële) autonomie van Spaanse regio’s, stelt de Franse econoom, heeft de bereidheid om elkaar te helpen uitgehold en daarmee het Catalaanse onafhankelijkheidsstreven aangewakkerd. De EU dreigt diezelfde kant op te gaan door vast te houden aan „het idee dat je alles tegelijk kunt hebben: integratie in een grote Europese en wereldwijde markt, zonder echt verplicht te zijn om fiscale solidariteit en het publieke goed te waarborgen”.

De Europese Commissie, die wetsvoorstellen kan doen, lijkt overtuigd van de noodzaak van meer solidariteit en onderzoekt drie opties, zoals een ‘rainy day fund’ – een spaarpotje voor slechte tijden – en een Europese ‘herverzekering’ voor nationale werkloosheidsregelingen, voor als een land door een crisis opeens (te) hard in sociale opvangnetten moet snijden. De derde optie: een crisismechanisme om investeringen te beschermen, bijvoorbeeld in publieke werken waarmee veel werkgelegenheid is gemoeid.

Bij een muntunie zonder schokdempers hakt elke crisis er keihard in. Dat kan en moet anders, vindt de Europese Commissie. Lees ook: De toekomst van de euro: beter bestand tegen schokken

Eurocommissaris Valdis Dombrovskis (Euro) vertelde vorige week in Zweden dat vooral die laatste optie momenteel verder wordt uitgewerkt door de Commissie. Het wegvallen van zulke grote investeringen „ondermijnt het herstel”, zo is volgens de Let ook tijdens de eurocrisis gebleken. De groeicijfers in de EU zijn nu weliswaar weer mooi, maar het herstel heeft lang op zich laten wachten. Zo lang dat in landen als Griekenland en Spanje ‘verloren generaties’ konden ontstaan.

Hoe zorg je ervoor dat de euro, voor iedereen, weer aantrekkelijk wordt? Volgens het European Policy Centre (EPC), een Brusselse denktank, kan dit alleen met wat het een „grote uitruil” noemt van nationale belangen en stellingnames. In een net verschenen rapport beschrijft EPC hoe deze ‘win-win-deal’ eruit zou kunnen zien. Simpel gezegd komt het erop neer dat sterkere landen garanties moeten krijgen dat zwakkere landen hun huiswerk doen, terwijl zwakkere landen de zekerheid moeten krijgen dat ze, als ze dat huiswerk doen, bij de volgende crisis niet weer harder worden getroffen worden dan sterkere landen.

Zo zouden de nu nog moeilijk afdwingbare begrotingsregels uit het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) gekoppeld kunnen worden aan EU-subsidies. Wie werk maakt van hervormingen krijgt meer geld uit de structuur- en cohesiefondsen. Wie er een rommeltje van maakt, krijgt minder. Voor wanneer het toch misgaat, zou er een mechanisme moeten komen om landen op ordelijke wijze failliet te laten gaan en ‘besmettingsgevaar’ te voorkomen. Dit zijn allemaal zaken waar Rutte zich in kan vinden.

Maar volgens het EPC zijn solidariteitsmechanismen onontbeerlijk, al is het maar als signaal naar markten dat de EU de landen die hun huiswerk doen niet laat vallen en actief beschermt. Dombrovskis benadrukt dat schokdempers nooit mogen leiden tot permanente transfers en strikt voorwaardelijk zouden zijn. Bovendien zouden ze alleen bedoeld zijn voor het opvangen van wat economen ‘asymmetrische schokken’ noemen – extreme gebeurtenissen waar een land zelf weinig schuld aan heeft.

Rutte wil niet hysterisch doen

Rutte zegt de komende maanden tegen zijn collega-leiders „niet hysterisch” te willen doen, maar overtuigd is hij nog lang niet. Er is wat hem betreft maar één achtervang: het tijdens de eurocrisis door lidstaten opgetuigde noodfonds ESM (het Europees Stabiliteitsmechanisme). Dat wordt overigens pas van stal gehaald als een land al helemaal in de kreukels ligt.

Dat iedereen het over asymmetrische schokken heeft, begrijpt Rutte niet. Die bestaan namelijk helemaal niet. „Ik heb ze tot nu toe niet gezien. Als het in de EU minder goed gaat, dan stijgt de werkeloosheid in álle landen. Wat Griekenland overkwam, was geen asymmetrische schok. Dat was gewoon het gevolg van zwaar achterstallig onderhoud. Nou, en dan gaat het een keer mis.”