Stemmen die de hele ruimte vullen

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over een concert van het Nederlands Kamerkoor met louter psalmen.

Ik was vergeten hoe koud New York kan zijn. De wind bijt in mijn gezicht en snijdt door mijn jas en trui heen. Een vader trekt een wollen mutsje met een pompon dieper over de oren van de baby in de draagdoek tegen zijn borst. Een meisje van een jaar of zestien in een maillot springt wachtend voor het stoplicht van het ene op het andere been.

Ik ben op weg naar de New York Society for Ethical Culture – een humanistisch-religieuze organisatie – voor een concert van het Nederlands Kamerkoor tijdens het White Light Festival. Een week met uitsluitend psalmen, vanavond twaalf klaagliederen.

De warme zaal doet denken aan een kerk. Banken in een halve cirkel en boven ons een kroonluchter die de zaal maar schaars verlicht. Wanneer ik ga zitten, knik ik de oudere man naast me toe. Hij lijkt me niet te zien. Opvallend veel mensen zitten alleen, een eindje van elkaar vandaan. Hier hangt een volledig andere sfeer dan in de opera een paar straten verderop in Lincoln Center, waar mensen behalve voor de muziek vooral voor elkaar komen.

Dan komen de zangers gekleed in het zwart het toneel op lopen van achter uit de zaal. Onmiddellijk vullen hun stemmen elke hoek van de kale ruimte, elke kier in de muur, elke barst in het plafond.

De psalmen verhalen over de mens in al zijn kleinheid. Bedreigd door het kwade, vol zielepijn, behept met schuldgevoel, overmand door angst voor het einde. Om zich dan met gloedvolle smeekbeden te richten tot het bovenmenselijke, het goddelijke dat, zo is ons verteld, de sleutel in handen heeft tot onze verlossing.

De muziek varieert van de zestiende-eeuwer Adriaan Willaert tot de hedendaagse Jean Berger. Maar in mijn hoofd mengen de psalmen zich tot één wanhopige klaagzang. Ik ben niet alleen in mijn kwetsbare menselijkheid. De meneer naast me, steeds dieper verzonken in zijn binnenwereld, is het ook.

Een beeldschone jonge sopraan zingt geheel alleen met haar loepzuivere stem een psalm van Constantijn Huygens. Ze voert me terug naar mijn studententijd, toen ik in de catacomben van het Academiegebouw in Utrecht Nijhoffs sonnet ‘De moeder de vrouw’ las. Het beeld van de zingende schippersvrouw, varend onder de brug van Zaltbommel.

...laat mij daar midden uit de oneindigheid

een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

Door een klein glas-in-loodraam heb ik zicht op de koude nacht buiten in New York, waar ik straks weer doorheen moet op weg naar huis. De laatste psalm, ‘Lord, let me know mine end’, van Hubert Parry, lijkt niet te willen eindigen. Steeds als ik denk de slotnoot te horen, wordt het lied weer nieuw leven ingeblazen. Een nooit eindigende smeekbede tegen het onverbiddelijke einde.

Tranen lopen over het gezicht van de man naast me. Hij doet geen moeite ze weg te vegen.

Reacties naar pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong