Naar het platteland, weg van die drukke campings

Na jarenlang kamperen op volle campings vond fotograaf Theo Baart het welletjes. Hij viel op het Franse platteland voor een „permanente tent, zonder haringen”.

Foto Jonas Jacquel

Een afgelegen huis op het Franse platteland met uitzicht op het woeste landschap: fotograaf Theo Baart wilde een plek die totaal het tegenovergestelde was van de drukte van de Bijlmermeer, waar hij woonde toen hij dit huis kocht. „Als kind bracht ik de zomers door op een camping in Frankrijk. Met mijn eigen gezin ging het kamperen me op een gegeven moment tegenstaan. Met 200 man in het hoogseizoen op een camping, heel onaantrekkelijk. We wilden de vakanties anders doorbrengen, een permanente tent, zonder haringen.”

Ze vielen voor de plek, de ruimte en het wonderschone uitzicht. „Door het veranderende licht is het ook steeds anders, ik kan er elke dag meerdere keren naar kijken.”

Als fotograaf maakt hij documentaire fotoprojecten over hoe wij onze omgeving inrichten, over verstedelijking, hoe het Nederlandse landschap verandert, over schaalvergroting. „In Frankrijk kijk ik ook met die blik en hier zie ik het tegenovergestelde: het platteland blijft verweesd achter. Twintig jaar geleden waren er in het dorp een bakker, slager, huisarts en postkantoor, maar die zijn nu weg.”

In 2000, vlak nadat hij het huis kocht, maakte hij op een zomerse dag een foto van alle bewoners van het dorp. „Daar zijn er nog maar drie van over. Alle oudjes zijn overleden, mensen van middelbare leeftijd vertrokken, jongeren gingen naar de stad.

De huizen die vroeger bij de boerenbedrijven hoorden, zijn nu in handen van mensen zoals wij. Stedelingen uit Amsterdam, Parijs en Lyon.”

Foto Jonas Jacquel

Het ligt een kleine tien uur rijden van zijn huis in Nederland. Het streven is om er eens per maand naartoe te gaan, maar dat is niet realistisch, zeg hij. „Acht keer per jaar lukt wel, en dan willen we minimaal een week blijven.” In de zomer blijven ze langer, drie of vier weken. „Afgelopen zomer was de eerste keer dat we niet naar een grote stad zijn gereden. Na drie weken platteland begint het vaak te jeuken, dan wil je de tram weer eens horen, het bruisende van een metropool voelen.”

Toen zijn twee zoons in de puberteit zaten, vonden ze het „stom en saai” in de Morvan. „Ze wilden hier niet dood gevonden worden. Dan gingen we na een week naar de kust of een meer. Kamperen. Ja, dat wat ik had willen voorkomen, kreeg ik als een natte dweil terug in het gezicht.”