Opinie

    • Marjoleine de Vos

Herinneringen aan de toekomst

Het kleine meisje, net zindelijk, keek naar haar poep in de wc, trok door, en zwaaide: „Dag poepen!” Ze zei dat ze vroeger, toen ze nog klein was, een luier droeg. Lang geleden. Lang! De volwassene glimlacht en meent veel beter te weten hoe tijd in elkaar zit. Wat lang is en wat kort. „Ik weet nog goed”, zei een collega met wie ik me even in dit onderwerp stortte, „dat ik – ik was een jaar of zes – dacht: nu heb ik al zó lang geleefd, al zes jaar. En dan nóg eens zes jaar!”

Hoe duizelingwekkend veel tijd hem dat toen leek. Hij wist nog precies waar hij was toen hij dat dacht. In de tuin. Bij de lupinen. Hij zag ze nog als hij wilde.

Door die lupinen zag ik hem ineens staan, een klein kereltje, dat een beetje dromerig naar de bloemen staat te kijken, en niemand weet wat hij denkt. Dat hij over tijd nadenkt en intussen de lupinen ziet die hij nooit meer zal vergeten.

Marcel Proust schrijft over het decor van de jeugd dat zich blijvend in de geest vestigt en dat zo’n hoekje natuur, een stukje tuin, onmogelijk zou kunnen bevroeden dat het dankzij dat onopmerkelijke kind zal overleven met zijn allertijdelijkste details. Hoe een geur van meidoorns bij de haag, het geluid van een echoloze stap op het grind, een luchtbel die ontstaat tegen een waterplant en meteen weer uiteenspat, de jaren door gereisd zijn terwijl intussen het landschap om ze heen totaal veranderd is, wegen verlegd zijn, de mensen die er liepen gestorven.

Zo waren ook die lupinen uit de tijd getild en er tegelijkertijd in bewaard gebleven, precies als Prousts meidoorns, net als, prozaïscher, de poepen van dat meisje waar ik maar aan hoef te denken of de hele wc komt weer tevoorschijn, met zijn gele pot en bruine bril, zijn specifieke beetje muffe geur, zijn tegeltjes met hun patronen, allemaal achtergebleven – of niet – in een huis dat nu door vreemden bewoond wordt. Het is weg, maar toch is het er nog.

Je weet niet wat je opgeslagen blijkt te hebben voor later. Niet als je volwassen bent, en al helemaal niet als je een kind bent.

In de aangrijpende documentaire Pilotenmasker van Simonka de Jong, die vorige week werd uitgezonden op televisie, kijken we naar kinderen met kanker. Wat zien zij? Zal het kleine meisje dat zichzelf filmde terwijl ze probeerde de enorme knoop te ontwarren van slangetjes die aan haar vast hadden gezeten, de aanblik van die slangetjes of het gevoel van dat plastic opslaan en daaraan later, als aan een zijden draad, heel dat ziekenhuis weer tevoorschijn kunnen trekken, het zeil dat er op de grond lag, de geur van het ontsmettingsmiddel waarmee iedereen zijn handen waste, het gevoel van de wat stijve lakens op het ziekenhuisbed, het licht door het raam?

En dan komt ook weer tevoorschijn wat daarachter ligt: het ziek zijn, al zó lang, al altijd, en de onbegrijpelijke gedachten aan een toekomst waarin ze ‘beter’ zal zijn.

De documentaire wilde het perspectief van de zieke kinderen laten zien, door de camera laag te laten blijven, door de patiëntjes soms zelf te laten filmen, door niet met de volwassenen óver ze te gaan praten. Het was heel goed gedaan, maar de waarheid blijft onontkoombaar dat we, als het om andere mensen gaat, nu eenmaal altijd naar de buitenkant kijken. De intensiteit van de beschouwers zelf, die ervaring, daar komen we niet bij.

Later, als er voldoende later is, zullen die kinderen misschien in gedachten de stof weer voelen van hun knuffel en weten: toen dacht ik aan de toekomst.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.
    • Marjoleine de Vos