Opinie

Gebiedsverbod voor imam raakt de kern van de rechtsstaat

Voor het eerst is vorige week met instemming van de rechter een geestelijke verboden in een boekwinkel lezingen te houden omdat hij daarmee ‘via een omweg’ radicaal gedachtengoed verspreidt. Dit is zacht gezegd wel iets om (geschrokken) bij stil te staan, in een samenleving waarin vrijheid van meningsuiting en godsdienst kernwaarden zijn. En boekwinkels vrijplaatsen van de geest. Wat gebeurt hier precies? In NRC liet VU-hoogleraar staatsrecht Jon Schilder weten een „keerpunt in onze staatkundige geschiedenis” te zien. Het gedachtengoed dat de betreffende imam Jneid verspreidt, is immers op zichzelf niet strafbaar. De gekozen bestuurlijke maatregel, een gebiedsverbod op basis van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, impliceert dat voortaan de minister dus uitmaakt wat er wel of niet betoogd mag worden. En vanaf welke kansel of podium dan ook, voegen we toe. Boekwinkel of niet. Vandaag vindt de overheid dit gedachtengoed gevaarlijk en morgen dat. En dat is niet wat de Verlichting de vrije burger heeft beloofd.

Dit gaat dus om de kern van de democratische rechtsstaat. Schilder noemt het vonnis ronduit censuur, het inperken van de vrijheid van meningsuiting door middel van het opleggen van een gebiedsverbod. Nu is de gang naar de appèlrechter, de Raad van State, al aangekondigd. Geen onherroepelijke uitspraak dus, en daarom hier ook geen definitief oordeel. Dit is nog een nieuwe, onbeproefde wet – en de aanhoudende religieus geïnspireerde terreurdreiging op eigen grondgebied is evenzeer terra incognita. Dat de bestuursrechter in eerste aanleg er niet meteen een barst in slaat, is dan niet zo vreemd. In appèl kan het perspectief breder zijn. Verder is de wet tijdelijk: in 2022 vervalt hij weer. Ook een teken dat de wetgever dit als een noodmaatregel ziet, met risico’s voor de rechtsstaat. In de tussentijd hopen we op wijze en moedige rechters. Dat de betreffende imam intussen de rechter geen toestemming gaf om het geheime politierapport dat de staat over hem had laten opstellen, te mogen lezen en toetsen, was bovendien nogal zwak. Of de staat goede gronden had om zijn lezingen en preken als uitlokking en aanmoediging van terreur te interpreteren wilde hij dus buiten beschouwing houden. Dat versterkt dan wel het verwijt van ‘façadepolitiek’ dat de staat deze imam maakte. Het steeds met twee gezichten opereren – in eigen kring radicaal en jihadistisch, naar buiten democratisch en tolerant.

Er moet onderkend worden dat ‘façadepolitiek’ inderdaad een bekende strategie is van radicale, ultraorthodoxe salafistische moslims, die bijvoorbeeld streven naar invoering van de sharia. In hoger beroep zien we dus graag alle kaarten op tafel, waarde imam.

Dat neemt allemaal niet weg dat dit eerste rechterlijk oordeel symbolische invloed heeft. Het bevestigt bij veel jonge moslims ongetwijfeld het gevoel dat zij tweederangs burgers zijn. ‘Zie: de orthodoxe islam heeft hier minder rechten dan andere religies.’ Tel er de ondervonden discriminatie op de arbeidsmarkt bij op, de maatschappelijke polarisatie over migranten, en de kloof is weer gegroeid. Van het verdere verloop van deze rechtszaak hangt dus veel af.